Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:12101
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/823
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigden: mr. P.L.W.M. Stringer-Gordebeke en mr. B. Rikhof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de wijze van berekening van een nabetaling woon-werkverkeer die aan eiser is toegekend.
1.1.
Met de loonstrook van 11 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een nabetaling woon-werkverkeer toegekend van € 460,84. Op 16 juni 2023 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 29 september 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar had genomen. Op 24 januari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft bij het besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) alsnog op het bezwaar van eiser beslist. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 28 november 2024 gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de beroepen van [naam 1] (zaaknummer SGR 24/5504 en [naam 3] (zaaknummer SGR 24/5514). Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is werkzaam als OOT Loadcontroller bij het 940 Squadron op de vliegbasis Eindhoven. Hij werkt in een continu ploegendienst (PCD).
Wat heeft verweerder besloten?
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser voor de periode 1 juli 2022 tot en met 1 december 2022 een nabetaling woon-werkverkeer toegekend van € 460,84. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, omdat de nabetaling op basis van een onjuist aantal uren per dienst is berekend. De nabetaling is opnieuw berekend op basis van eisers werkrooster van 7,6 uur in plaats van 8 uur per dienst. Verweerder heeft eiser nog een nabetaling van € 116,22 toegekend waardoor eiser in totaal uitkomt op een nabetaling van € 581,10. Verweerder heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nabetaling met deze correctie op het primaire besluit op juiste wijze is berekend.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met verweerder en voert aan dat verweerder de nabetaling woon-werkverkeer op onjuiste wijze heeft berekend. Hij meent dat zijn reiskosten op basis van zijn werkrooster moeten worden berekend, op basis van het aantal reisbewegingen, en dat het verlof hiermee niet mag worden verrekend. Eiser maakt gebruik van de mogelijkheid om zijn arbeidstijd te verkorten met twee uur per week. Deze uren spaart hij als verlof, waardoor zijn reguliere persoonlijke werkrooster niet is veranderd. Met de komst van een nieuwe vergoedingswijze van woon-werkverkeer heeft verweerder bepaald dat eiser een vergoeding krijgt gebaseerd op 9,5 reisdagen per twee weken. Op grond van de normale afrondingsregels zouden 9,5 dagen moeten worden afgerond naar tien reisdagen per twee weken. Verder is de reiskostenvergoeding van Defensie volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep forfaitair.
Welke regels zijn van toepassing?
5. In artikel 19, eerste lid, van het Verplaatsingskostenbesluit is bepaald dat de defensieambtenaar aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen over de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt en hij dagelijks reist.
5.1.
In artikel 21, eerste lid, van de Verplaatsingskostenregeling Defensie (VKRD) is bepaald dat aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van het reizen tussen de woning of de plaats van legering en de plaats van tewerkstelling aanvangt of eindigt anders dan op de respectievelijk eerste of laatste werkdag van een kalendermaand de tabeltegemoetkoming opgenomen in bijlage 1 tot en met 3, voor die maand wordt berekend naar rato van het aantal werkdagen.
5.2.
In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 is een nieuwe tegemoetkoming woon-werkverkeer (WWV) overeengekomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen defensieambtenaren die in continu ploegendienst werken en defensieambtenaren die met een vast rooster werken. Deze tegemoetkoming geldt vanaf 1 juli 2022 en wordt sinds 1 december 2022 uitbetaald. Medewerkers die over de periode 1 juli 2022 tot en met 1 december 2022 te weinig WWV gekregen hebben, ontvangen als compensatie een nabetaling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar
6. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6.1.
Nadat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, heeft verweerder alsnog daarop beslist met het bestreden besluit. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit.
6.2.
Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar door verweerder. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Omdat pas op het bezwaar is beslist nadat het beroep tegen het uitblijven van dat besluit door eiser is ingesteld en dit beroep gelet op de verstreken beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar en na een geldige ingebrekestelling terecht is ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.
Het beroep gericht tegen het bestreden besluit
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder op juiste wijze de nabetaling heeft berekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende toegelicht dat wordt gekeken naar het aantal arbeidsuren dat een medewerker gemiddeld per week werkt. Bij een voltijdsaanstelling is een werkweek 38 uur. Eiser maakt echter gebruik van arbeidstijdverkorting. Hierdoor is zijn werkweek verkort naar 36 uur per week in ruil voor bezoldiging. De vergoeding wordt berekend over twee weken omdat het rooster van medewerkers in de even en oneven weken van elkaar kunnen afwijken. Daarom wordt een gemiddelde genomen van twee weken.
7.2.
De tegemoetkoming wordt berekend naar rato van het aantal werkdagen, niet naar rato van het aantal daadwerkelijke reisbewegingen. Het betreft een tegemoetkoming in de kosten voor het woon-werkverkeer. De tegemoetkoming is niet grenzeloos. Zo worden reiskosten slechts vergoed tot een maximaal van 94 kilometer per enkele reis. De tegemoetkoming kan dan ook niet worden gezien als een volledige schadeloosstelling van eisers reiskosten.
7.3.
Bij de nabetaling heeft verweerder rekening gehouden met eisers individuele situatie. Eiser werkt in een continu ploegendienst met een rooster langer dan 2 weken. Een medewerker in een continu ploegendienst op eisers afdeling werkt 7,6 uur per dag werken. Een volledige werkweek is daarom 38 uur. Eiser heeft gekozen voor een gemiddelde werkweek van 36 uur per week omdat hij gebruik maakt van arbeidstijdverkorting (met twee uur per week verlofopbouw). Hierdoor mogen medewerkers met een continu ploegendienst die 36 uur per week werken één dienst/werkdag per maand minder werken dan medewerkers die 38 uur per week werken.
7.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom eiser over deze extra dienst/werkdag per maand geen reiskosten krijgt. Op het moment dat eiser deze extra uren als verlof opneemt ontvangt hij daarover namelijk al een vergoeding woon-werkverkeer. Wanneer verweerder over deze extra dienst/werkdag per maand ook vergoeding woon-werkverkeer zou uitbetalen, zou eiser over deze twee uur een dubbele vergoeding ontvangen.
7.5.
In wat eiser in beroep aanvoert, wat voornamelijk een herhaling is van wat in bezwaar is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals verweerder heeft toegelicht is in het arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 een nieuwe tegemoetkoming woon-werkverkeer (WWV) overeengekomen. De uitspraak waar eiser naar verwijst is van voor die datum en gaat over een andere situatie die niet gelijk is aan de situatie van eiser. In die zaak gaat het immers over een tegemoetkoming in reiskosten op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van het Verplaatsingskostenbesluit Defensie. Deze bepaling houdt een forfaitaire regeling in die voorziet in een tegemoetkoming voor vier reizen per vier weken ongeacht het werkelijk aantal gemaakte reizen.
Conclusie
8. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar is niet-ontvankelijk. Gelet op wat hiervoor onder 6.2. is overwogen veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de indiening van het beroep niet tijdig beslissen heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 0,5).
8.1.
Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Eiser krijgt daarom in deze zaak het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten dat ziet op dit gedeelte van het beroep.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar niet-ontvankelijk;- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van 30 juli 2021 van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2021:1948.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Verplaatsingskostenregeling Defensie (VKRD).