Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:12099
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 6 september 20221. In die uitspraak staat dat het besluit van 5 juli 2022 op de asielaanvraag van eiseres is vernietigd en dat de minister opnieuw moet beslissen op die aanvraag. De minister heeft zich hieraan niet gehouden. Eiseres stelt daarom nu beroep in.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
2. De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de genoemde uitspraak van 6 september 2022. Deze omstandigheid doet niet af aan de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tegen het niet-tijdig beslissen door de minister. Het ingestelde hoger beroep heeft immers geen schorsende werking en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ook geen voorlopige voorziening getroffen hangende het hoger beroep. Dat maakt dat het besluit van 5 juli 2022 onverkort is vernietigd en dat de minister opnieuw op de aanvraag van eiseres moet beslissen. Het beroep is dus ontvankelijk.
3. De rechtbank stelt vast dat de minister na de genoemde uitspraak van 6 september 2022 tot op heden geen nieuw besluit op de aanvraag van eiseres heeft genomen. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres de minister op 28 januari 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken voorbij zijn gegaan. Het beroep is kennelijk gegrond.
1. ECLI:NL:RBDHA:2022:10014.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.3
5. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 21 maanden4 is overschreden. De rechtbank overweegt dat de termijn van 21 maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.5 De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.
6. De rechtbank neemt verder in overweging dat de minister op 6 september 2024 kenbaar heeft gemaakt dat het besluit van 5 juli 2022 niet in stand kan blijven en dat de minister opnieuw op de aanvraag van eiseres zal gaan beslissen. De rechtbank stelt vast dat de minister tot op heden geen nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen.
7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een nadere beslistermijn van vier weken op te leggen aan de minister. De minister heeft hierop niet gereageerd.
8. In het licht van rechtsoverweging 5, 6 en 7 bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om binnen deze termijn op zorgvuldige wijze een besluit te nemen.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet-naleven daarvan een dwangsom.6 In artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet)7 was bepaald dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 20228 geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend was. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en dat de bestuursrechter aan het niet naleven door de minister een dwangsom verbindt.
3 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
4 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
6 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
7 De Tijdelijke wet was van kracht van 11 juli 2021 tot 15 april 2025 en is op deze zaak nog van toepassing.
8 ECLI:NL:RVS:2022:3353.
10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.