Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:12093
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,053 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23218
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C.H.M. Geraedts),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 mei 2025 de aanvraag ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. Eiser zelf is evenmin verschenen.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
3. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 19 juni 2025 meegedeeld dat eiser op 12 juni 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 20 juni 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact heeft met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd op 23 juni 2025. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij geen contact meer onderhoudt met eiser en daarom niet ter zitting zal verschijnen.
4. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, de reactie van de gemachtigde van eiser alsmede de omstandigheid dat eiser niet ter zitting is verschenen, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.