Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:12086
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,403 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22982
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 21 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N.V. Badhoe, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gronden van de maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4a en 4d.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De feitelijke juistheid van de grond 3a blijkt voldoende uit de motivering van de maatregel van bewaring. Eiser heeft in het gehoor van 4 mei 2025 verklaard dat hij geen paspoort heeft. Dat eiser geen paspoort heeft rechtvaardigt het vermoeden dat eiser niet rechtmatig Nederland is ingereisd. Ook de feitelijke juistheid van de grond 3c blijkt voldoende uit de motivering van de maatregel van bewaring. Dat de minister in het beroep tegen de eerdere maatregel van bewaring van 4 mei 2025, met zaaknummer NL25.21104, deze grond heeft laten vallen maakt dat niet anders. Eiser heeft op 25 januari 2024 (uitgereikt op 30 januari 2024) een besluit ontvangen waarin zijn rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht is ingetrokken. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan de ook in dit besluit opgenomen vertrekverplichting en dit besluit geldt dan ook nog steeds. Eiser stelt Nederland wel te hebben verlaten en naar België te zijn gegaan, maar de minister heeft in de maatregel terecht overwogen dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De gronden 3a en 3c kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.