Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:12071
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,240 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24405
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: S. Kowsari).
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A. van den Broek, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Cosa. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond 3d.
4. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de overige inhoudelijk niet bestreden gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en dat hieruit blijkt dat er een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht door eiser. Wat eiser heeft aangevoerd over de grond 3d hoeft daarom geen bespreking meer. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
5. Namens eiser is nog gesteld dat de minister meer inspanningen had kunnen verrichten voor zijn uitzetting.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 2 juni 2025 is de laissez-passer-aanvraag (lp-aanvraag) voor eiser doorgezonden aan de Roemeense autoriteiten. Bovendien heeft de minister op 3 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister is nu afhankelijk van een reactie van de Roemeense autoriteiten. De handelingen die de minister heeft verricht zijn relevante uitzettingshandelingen, die de minister ook tijdig heeft uitgevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.