Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:11914
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,213 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12098
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van 13 maart 2025 dat eiser heeft ingesteld tegen het aanvullende besluit van de minister van 6 maart 2025 waarin is vermeld dat eiser een voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit uitstel van vertrek geldt van 6 maart 2025 tot 6 september 2025. Tevens wordt in het besluit van 6 maart 2025 vermeld dat met het besluit van 9 december 2024 de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft partijen op 2 mei 2025 om aanvullende informatie verzocht. Eiser heeft op 9 mei 2025 aanvullende informatie aan de rechtbank toegestuurd en de minister heeft op 12 mei 2025 aanvullende informatie toegezonden.
1.3.
De minister heeft op 14 mei 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting en zijn niet verschenen.
Is het beroep ontvankelijk?
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 december 2024 inhoudende de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Dit beroep (zaaknummer NL24.50277), is bij uitspraak1 van deze rechtbank van 18 maart 2025 gegrond verklaard en de minister is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De termijn voor het nemen van dit nieuwe besluit verstrijkt op 10 juni 2025.
1. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht 18 maart 2025, ECLI:L:RBDHA:2025:4505.
2.1
Vervolgens heeft eiser op 13 maart 2025 een beroepschrift ingediend tegen het besluit van 6 maart 2025. Eiser heeft in zijn beroepschrift benadrukt dat hij slechts partieel beroep instelt tegen de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank vast dat eiser feitelijk voor de tweede keer beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 9 december 2024 inhoudende de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. Dit besluit is met de uitspraak van 18 maart 2025 reeds vernietigd en de termijn die de rechtbank aan de minister heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit is nog niet verstreken. Uit de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt, dat een zelfde geschil niet twee keer aan de rechter kan worden voorgelegd (ne bis in idem beginsel).Voorts en ten overvloede stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij het onderhavige beroep. Dat betekent dat het op 13 maart 2025 ingediende beroepschrift niet- ontvankelijk is.
Conclusie
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 juni 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.