Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:11755
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,874 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22204
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de minister van/voor Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 9 april 2025 aanvaard.
Mocht de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen zijn gebrekkig en voldoen niet aan de Opvangrichtlijn waardoor eiser het risico loopt om in een situatie terecht te komen strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Verder wijst eiser op enkele recente artikelen van de NOS, waaruit blijkt dat er meer grenspolitie is die asielzoekers gaat weigeren bij de grens van Duitsland, dat helikopters actief gaan zoeken naar illegale immigranten en dat de Duitse regering asielzoekers niet mag wegsturen van de Duitse rechter, maar dat het toch gebeurt. Deze berichtgeving moet volgens eiser leiden tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien ziet eiser niet in hoe hij zijn basisrechten, zoals neergelegd in het arrest Ibrahim, kan effectueren. Een mogelijkheid om te klagen bij de Duitse autoriteiten is er niet.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die uitspraken geoordeeld dat de situatie die in het AIDA-rapport over Duitsland van 2024 (update 2023) naar voren komt, geen ander beeld geeft van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die reeds zijn meegenomen in de beoordeling door de Afdeling. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser, dat Duitsland een gebrek aan opvangvoorzieningen heeft en dat de asielprocedure slecht is, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Ook in eisers individuele geval is niet gebleken dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt. Eiser is namelijk eerder in Duitsland toegelaten tot de asielprocedure waar hij opvang en andere voorzieningen kreeg. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Duitsland geen toegang meer heeft tot opvang en voorzieningen.
5.2.
De NOS-artikelen, waar eiser op wijst, kunnen niet leiden tot de conclusie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De artikelen gaan namelijk alleen over asielzoekers die naar Duitsland komen en niet over de situatie van Dublinterugkeerders, zoals eiser. Alleen al om die reden kan dit betoog niet slagen.
5.3.
Eisers betoog, dat het hem onduidelijk is hoe hij zijn basisrechten, zoals die in het arrest Ibrahim geduid zijn, kan effectueren, treft geen doel. Het arrest Ibrahim gaat namelijk over de situatie van statushouders. Eiser heeft echter geen status in Duitsland en wordt op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening aan Duitsland overgedragen. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom hij zijn rechten niet zou kunnen effectueren.
Risico op indirect refoulement
6. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement zal opleveren omdat de mogelijkheid bestaat dat eiser direct na zijn uitzetting door de Duitse autoriteiten teruggestuurd wordt naar Turkije.
6.1.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 5.1 – 5.3), is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit dient in Duitsland te worden beoordeeld.
Had de minister eisers asielverzoek in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
7. Eiser voert verder aan dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Hij wijst er daarbij op dat hij psychische problemen heeft en dat deze in Duitsland zijn verergerd. Eiser staat in Nederland onder behandeling en krijgt medicatie. De medische stukken hiervan heeft hij opgevraagd. De minister had gelet op het arrest C.K. nader onderzoek moeten doen en advies moeten inwinnen bij het Bureau Medische Advisering (BMA). Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser naar diverse uitspraken. Tot slot wijst eiser erop dat uit het C.K.-arrest en twee uitspraken van de Afdeling niet blijkt dat een vreemdeling moet aantonen dat hij onder behandeling staat van een medisch specialist om de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de gevolgen van een overdracht aan te tonen. Dat blijkt volgens eiser ook uit een uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2024.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest C.K. en de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, waar eiser ook op wijst, waarin het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie is uitgewerkt, volgt juist dat de minister een BMA-advies hoort op te vragen als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd en het is niet gebleken dat eiser een ernstige mentale of lichamelijk aandoening heeft waarbij overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Ook blijkt het niet dat eiser onder specialistische behandeling staat of deze nodig heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser, indien nodig, te behandelen. De minister heeft dan ook geen BMA-advies hoeven op te vragen, voordat eiser wordt overgedragen aan Duitsland. Verder wordt overwogen dat Duitsland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister hem aan Duitsland mag overdragen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten.
Nederlandse Omroep Stichting.
Hof van Justitie 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (Ibrahim).
ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Hof van Justitie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 25 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1866; rb. Den Haag (zp. Middelburg) 8 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19301; rb. Den Haag (zp. Roermond) 7 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19122.
ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980 en ABRvS 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303.
Rb. Den Haag 20 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23229.
Zie artikel 31 en 32 van de Dublinverordening.