Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:11699
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
794 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26572
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het verzoek om schadevergoeding.
Deze maatregel is opgelegd op 20 maart 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist in de uitspraak van 4 april 20251 en op het eerste vervolgberoep is beslist in de uitspraak van 7 mei 20252.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage, een verslag van een vertrekgesprek en een M113-formulier (opheffing van de maatregel), overgelegd.
Verweerder heeft op 10 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser in strafrechtelijke detentie is geplaatst in verband met de tenuitvoerlegging van reeds opgelegde straffen.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 juni 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
1. Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 4 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7981.
2 Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 7 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8485.
Overwegingen
1. De rechtbank wijst er op dat de vreemdeling ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw beroep in kan stellen tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Gelet op het bepaalde in artikel 96, derde lid, van de Vw kan dit beroep leiden tot opheffing van de bewaring of wijziging van de tenuitvoerlegging.
2. Op het moment dat eiser beroep instelde, was de bewaring echter al geruime tijd opgeheven. Uit de uitspraak van 7 mei 2025 (met zaaknummer NL25.18686) volgt dat de maatregel van bewaring vanaf 10 april 2025 tot de opheffing ervan op diezelfde dag onrechtmatig heeft voortgeduurd en dat eiser daarvoor een schadevergoeding heeft ontvangen. Gelet hierop dient het beroep niet ontvankelijk te worden verklaard, nu daarmee geen rechtens te beschermen belang wordt gediend.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juni 2025
Documentcode: [code]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.