Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:11611
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,934 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3160 (echtscheiding)
FA RK 24-7952 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Zaaknummer: C/09/665697 (echtscheiding)
C/09/675252 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Datum beschikking: 26 februari 2025
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 30 april 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in [plaats 2] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, tevens aanvulling van het verzoekschrift;
het bericht met bijlage van de vrouw van 1 oktober 2024;
het bericht van de man met een concretisering van de zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 9 oktober 2024;
het bericht met bijlagen van 9 januari 2025 van de man;
het bericht met bijlagen van 10 januari 2025 van de vrouw;
het bericht van de man van 16 januari 2025 met een aanvulling van de zelfstandige verzoeken van de man;
het bericht met bijlagen van 22 januari 2025 van de vrouw.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 22 januari 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en M. Wamelink namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting zijn door beide advocaten – conform afspraak – de jaaropgaves van 2024 overgelegd.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2002 in [plaats 1] .
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
Deze rechtbank heeft op 16 september 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang en inhoudende dat:
[de minderjarige] aan de man zal worden toevertrouwd;
[de minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal verblijven: eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij geldt dat op verzoek van [de minderjarige] van deze regeling kan worden afgeweken;
de aankomende schoolvakanties als volgt zullen worden verdeeld:
- herfstvakantie: bij de vrouw;
- kerstvakantie: de eerste week van vrijdag 20 december tot en met zondag 29december bij de vrouw, met uitzondering van eerste kerstdag 10.00 uur tot tweede kerstdag 10.00 uur (dan zal [de minderjarige] bij de man zijn), en de tweede week bij de man;
- voorjaarsvakantie: bij de man;
- meivakantie: eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw;
de vrouw met ingang van 16 juli 2024 voorlopig een kinderalimentatie aan de man dient te betalen van € 64,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat hij iedere vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vrouw zal verblijven, waarbij de vrouw [de minderjarige] ophaalt en terugbrengt;
verdeling van de vakanties - naar de rechtbank begrijpt - dat [de minderjarige] bij de vrouw is:
- herfstvakantie: van woensdag tot maandag naar school;
- kerstvakantie: de eerste week van vrijdag uit school tot zondag een week later, inclusief 1e kerstdag;
- voorjaarsvakantie: van vrijdag uit school tot woensdag 12:00 uur;
- meivakantie: de tweede week te rekenen vanaf zondag tot een week later maandag naar school;
- zomervakantie: de eerste drie weken te rekenen vanaf vrijdag uit school tot drie weken later op zondag 12:00 uur;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man;
vaststelling van kinderalimentatie van € 402,- per maand met ingang van de datum dat de voorlopige voorzieningen eindigen tot dat de man de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt, en vanaf die datum € 350,- per maand bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;
verkrijging van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende de zes maanden vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert – onder referte van de hoofdverblijfplaats en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning – verweer tegen het door de man verzochte, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontbreken ouderschapsplan
De rechtbank stelt vast dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen in hun over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding niet ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank is door partijen voldoende gemotiveerd dat het voor hen gedurende de procedure redelijkerwijs niet mogelijk is gebleken om een door beide partijen akkoord bevonden en ondertekend ouderschapsplan aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan deze processuele eis uit artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de communicatie tussen partijen is verstoord en dat partijen tot op heden geen concrete afspraken hebben kunnen maken over [de minderjarige] .
Omdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Beoordeling
De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.
Hoofdverblijfplaats
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen omdat hij de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] draagt. De vrouw kan zich hierin vinden. De rechtbank zal het verzoek van de man als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hier tegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw heeft een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) verzocht waarbij [de minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij haar is. De huidige situatie is echter zo dat zij [de minderjarige] al een aantal maanden niet meer ziet. De vrouw betreurt dit en wenst hervatting van het contact met [de minderjarige] .
De man vindt het belangrijk dat [de minderjarige] contact heeft met de moeder en stimuleert dit ook. Tegelijkertijd merkt de man dat er bij [de minderjarige] weerstand is om naar de vrouw te gaan.
De rechtbank heeft op de zitting onder andere met de ouders besproken dat [de minderjarige] in het kindgesprek heeft aangeven dat hij sinds oktober 2024 geen contact meer heeft met de vrouw en daar verder ook geen behoefte aan heeft. Dit heeft onder andere te maken het feit dat de vrouw een nieuwe vriend heeft die begin november 2024 uit de gevangenis is gekomen. [de minderjarige] heeft gehoord dat de vrouw door deze vriend zou zijn mishandeld. Hij vindt het niet prettig om in de woning van de vrouw te zijn. Hij heeft het naar zijn zin bij de man in [plaats 2] . [de minderjarige] gaat hier naar school, heeft zijn eigen leven en in [plaats 2] wonen zijn vrienden. Daarnaast vindt [de minderjarige] het belangrijk om gezond te eten en te kunnen sporten (met de man) in de sportschool in [plaats 2] . Deze aspecten ontbreken in de omgeving van [plaats 3] .
De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aan de ouders meegegeven dat [de minderjarige] – samen met partijen – bij het Centrum voor Jeugd- en Gezin (CJG) in [plaats 2] terecht kan voor een herstelgesprek tussen hem en de vrouw.
De rechtbank overweegt dat het in beginsel in het belang van [de minderjarige] is dat hij (onbelast) contact kan hebben met beide ouders. Gelet op dat wat tijdens de zitting en het kindgesprek is besproken zal de rechtbank op dit moment geen zorgregeling vaststellen. De afgelopen periode is er veel gebeurd, ook in de thuissituatie bij de vrouw. Tussen [de minderjarige] en de vrouw moet het een en ander worden uitgesproken voordat een vorm van contact weer kan plaatsvinden. De rechtbank acht het contra-productief om vooruitlopend op dit herstelgesprek bij het CJG een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] voor zijn gevoel naar de vrouw ‘moet’. Op grond hiervan zal de rechtbank ook geen concrete vakantie- en feestdagenregeling vastleggen. De nadere invulling van de vakanties- en feestdagen kunnen de ouders – net als de reguliere zorgregeling – in het mediationtraject dat de ouders gaan volgen betrekken.
Mediation
Zowel op de zitting als uit de stukken is gebleken dat de ouders niet goed met elkaar communiceren. Zij willen graag allebei het beste voor [de minderjarige] maar het lukt hun niet om daarover tot afspraken te komen. De mogelijkheid tot mediation is daarom met de ouders besproken. De ouders kunnen daar in gesprek om te werken aan hun eigen ouderrol ten opzichte van [de minderjarige] . De rechtbank zal de contactgegevens van de ouders doorgeven aan het mediationbureau van de rechtbank en het mediationbureau zal vervolgens contact met hen opnemen om de mediation in gang te zetten.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het op de zitting eens geworden dat de behoefte van [de minderjarige] € 860,- per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [de minderjarige] dan € 916,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van het kind tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).
Draagkracht van de man
Tussen de man en de vrouw bestaat er discussie over de vraag van welke inkomsten aan de zijde van de man moet worden uitgegaan. Naast zijn inkomsten uit loondienst heeft de man inkomsten uit werkzaamheden als portier in de horeca en ontvangt hij een netto vergoeding voor zijn vrijwilligerswerk bij [voetbalclub] .
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen uit loondienst van € 52.532,- in 2024, zoals volgt uit de jaaropgave 2024. Verder houdt de rechtbank rekening met € 2.100,- netto per jaar als bijverdiensten bij [voetbalclub] . Tot slot heeft de man op de zitting erkend circa € 3.000,- per jaar te verdienen als portier in de horeca, zodat de rechtbank hiermee zal rekenen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
het kindgebonden budget;
de alleenstaande ouderkop.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man maandelijks € 250,- aflost op een huwelijkse schuld bij Santander. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat hij hiertoe een betalingsregeling heeft overgelegd in productie 12, zodat de rechtbank rekening zal houden met deze schuld.
Gelet op de ingangsdatum – zoals hierna wordt overwogen – zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-I.
Aan de hand van deze uitgangspunten berekent de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 4.166,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 949,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen in 2024 van € 44.901,- bruto, gebaseerd op de jaaropgave 2024. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 3.018,- per maand en de draagkracht op € 562,- per maand.
Zorgkorting
De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen zorgregeling is tussen de vrouw en [de minderjarige] . Conform het Rapport Alimentatienormen bedraagt de zorgkorting ten minste 5% van het eigen aandeel, omdat ouders onderling en naar de minderjarige het recht en de verplichting hebben tot omgang. Als de ouders tijdens mediation of onderling tot een zorgregeling komen waarbij conform het Rapport Alimentatienormen een ander percentage bij hoort, kan de kinderalimentatie door de advocaten van de ouders opnieuw worden berekend aan de hand van de uitgangspunten in deze beschikking.
De rechtbank zal daarom een zorgkorting van 5% hanteren. De behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 916,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,05 x 916 =) € 46,- per maand bedraagt.
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank stelt de gezamenlijke draagkracht van partijen vast op (949 + 562 =) € 1.511,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vrouw, met ingang van 26 februari 2025, een kinderalimentatie van € 295,- per maand aan de man moet voldoen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zullen aan de beschikking worden gehecht en maken daarvan deel uit.
Voortgezet gebruik en gebruikersvergoeding
De man wil graag de woning toegedeeld krijgen. Hij verzoekt daarom te bepalen dat hij het voortgezet gebruik van de woning krijgt voor een duur van zes maanden vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw kan zich vinden in het verzoek van de man maar stelt zich op het standpunt dat de man aan haar een gebruikersvergoeding verschuldigd is. Zij stelt dat de man gedurende de zes maanden alleen de kosten voor maandelijkse aflossing en rente voor zijn rekening moet nemen. Subsidiair verzoekt zij een gebruikersvergoeding te berekenen op grond van de WOZ-waarde en de hoogte van de hypotheek.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw recht heeft op een gebruikersvergoeding, nu de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten. Nu de geldende leer is dat de gebruikersvergoeding verschuldigd is vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zal de rechtbank daarbij aanhaken. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag acht de rechtbank het redelijk om de man te verplichten de kosten voor de hypotheekrente en de maandelijkse aflossing op de hypotheek voor zijn rekening te nemen, zoals door de vrouw primair is verzocht. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2002 in [plaats 1] . Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 30 april 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.
Omvang
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap:
de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen;
een schenking aan derden;
de belastingteruggaaf;
e saldi op de bankrekeningen;
de auto.
Daarnaast hebben zij gesteld dat er sprake is van diverse huwelijkse schulden.
Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen;
De man wil graag de woning toebedeeld krijgen en wil daarvoor in de gelegenheid worden gesteld. De vrouw stemt hiermee in. Partijen zijn het erover eens dat de taxatie van de woning zal worden gedaan door Alpina Makelaars in [plaats 2] . De man zal tegen de getaxeerde waarde in de gelegenheid worden gesteld om de woning over te nemen binnen een termijn van drie maanden na de beschikkingsdatum. Als de man dit niet lukt, zijn partijen het erover eens dat de woning verkocht moet worden.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.
Ad. b – de schenkingen aan de heer [naam]
De man heeft aangevoerd dat de vrouw in de periode voor het uiteengaan van partijen een bedrag van totaal € 18.100,50 heeft overgemaakt naar de heer [naam] , haar (vermoedelijke) nieuwe partner. Het gaat volgens de man om betalingen aan onder andere de Penitentiaire Inrichting en overboekingen naar de heer [naam] . De man stelt niet te hebben ingestemd met deze schenkingen. De vrouw beheerde immers de financiën gedurende het huwelijk. Door deze overboekingen zijn huishoudelijke schulden ontstaan. De vrouw voert verweer. De overboekingen zijn gedaan vanaf de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, waar de man altijd inzicht in heeft gehad. Ook zouden de man en de vrouw gesproken hebben over de betalingen.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft de man toegelicht dat de rechtbank het verzoek van de man moet lezen als een vordering die partijen hebben op de heer [naam] vanwege een nietige schenking. Het verzoek tot nietigverklaring van de schenking moet eerst door de vrouw worden ingediend bij de civiele rechter. Indien de vordering wordt toegewezen, is het de verantwoordelijkheid van de vrouw om dit bedrag van de heer [naam] te vorderen. De helft ervan dient zij dan aan de man te voldoen, aldus de man. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een toekomstige onzekere vordering, zodat de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van de (nietige) schenking zal afwijzen.
Ad. c – de belastingteruggave
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat op 14 mei 2024 een bedrag van € 238,- van de Belastingdienst aan haar is overgemaakt, zoals ook volgt uit de bijlage van het bericht van de vrouw van 22 januari 2025. De man heeft recht op de helft van dit bedrag, zoals ook op zitting door de vrouw is erkend. Zij zal dit bedrag alsnog aan hem betalen.
Ad. d - de saldi op de bankrekeningen
Partijen zijn het eens dat de gezamenlijke bankrekening zal worden opgeheven nadat de echtelijke woning is overgedragen/verkocht. Het saldo zal dan bij helfte worden gedeeld, waarbij wordt opgemerkt dat een negatief saldo ook bij helfte voor rekening van beide partijen komt. Daarnaast behouden partijen ieder hun eigen bankrekening zonder verrekening van de saldi op de peildatum.
Ad. e – de auto
De man stelt dat de auto verkocht is door de garage om de openstaande schuld bij de garage te voldoen. De auto zou op naam hebben gestaan van de vrouw. Op zitting is besproken dat de auto verkocht lijkt te zijn. Door zowel de man als de vrouw is niet nader onderbouwd of dit al dan niet juist is en evenmin is de eventuele verkoopprijs duidelijk geworden. Bij gebreke aan gegevens zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van de auto afwijzen.
Schulden
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. Voorop staat bovendien dat het niet mogelijk is door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102
BW neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers.
In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daaromtrent anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW). Indien, ten slotte, één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW).
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2002 in [plaats 1] ;
*bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
*
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten hun geschil ten aanzien van de zorgregeling en de vakanties- en feestdagen door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
*
bepaalt de door de vrouw aan de man, met ingang van heden, te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] op € 295,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;
*bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning met inboedel aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
*
bepaalt dat de man, zolang hij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gehouden is de kosten van de hypotheekrente en de maandelijkse aflossing op de hypotheek te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:
1.1
de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. partijen geven Alpina Makelaars in [plaats 2] opdracht de taxatie van de woning uiterlijk binnen één maand na de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te taxeren;
b. de man dient binnen drie maanden na de beschikkingsdatum aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de overeengekomen waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht;
d. de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning
1.2
indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden
a. partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de hierboven genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. bepaalt dat de gezamenlijke bankrekening wordt opgeheven na de overdracht/verkoop van de echtelijke woning onder verrekening van het saldi bij helfte, alsmede dat iedere partij zijn of haar eigen bankrekening behoudt zonder nadere verrekening van de saldi;
3. wijst het verzoek ten aanzien van de auto af;
4. bepaalt dat ten aanzien van de volgende schulden partijen in de onderlinge verhouding elk van hen voor de helft draagplichtig is en voor zijn/haar rekening dient te nemen:
- CJIB van € 1.359;
- Yards van € 797,25;
- Santander van € 21.868,57;
- de Zeeuwverzekeringen van € 558,18;
- Deurwaarderskantoor Boiten van € 486,12;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2025.
Conclusie
Ter zitting is ten aanzien van de schulden het volgende besproken.
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de hierna genoemde schulden ter hoogte van het bedrag dat op de peildatum openstond tot de gemeenschap behoren. Nu zij geen andere afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding de hiervoor genoemde uitgangspunten. De rechtbank zal gelet op het voorgaande volstaan met de vaststelling de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding ieder de helft van deze schulden voor zijn/haar rekening dienen te nemen.
Verkeersboete CJIB
Partijen zijn het erover eens dat zij beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan hun dochter die de verkeersboete bij het CJIB van € 1.359,-. heeft voorgeschoten.
Dunea
De man heeft aangevoerd dat er twee schulden waren bij Dunea (van € 624,84 en € 575,13) wegens achterstallige betalingen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schulden zijn terugbetaald voor de peildatum. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde productie 7 en 15 van de man volgt dat de schulden bij Dunea zijn afgelost voor de peildatum van 30 april 2024. De schuld is daarmee voldaan voorafgaand aan de peildatum.
Belastingen
De man stelt dat er twee schulden bij de Belastingdienst waren (van € 3.075,- en € 3.100,-) en verwijst daarbij naar producties 8 en 9. De rechtbank stelt vast dat de schulden bij de Belastingdienst zijn afgelost voor de peildatum.
Yards
Partijen zijn het erover eens dat de hoogte van de schuld bij Yards € 797,25 bedraagt, waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig voor zijn.
Santander
De man stelt dat de schuld bij Santander € 21.868,57 bedraagt. Tussen partijen staat het bestaan van de schuld en de draagplicht voor deze schuld ook overigens niet ter discussie. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de man per maand € 250,- aflost op deze schuld en dat bij de berekening van de kinderalimentatie aan de zijde van de man rekening is gehouden met deze maandelijkse aflossing.
De Zeeuwverzekeringen
De hoogte van de schuld bij De Zeeuwverzekeringen bedraagt volgens de man € 744,18. De vrouw heeft het bestaan van deze schuld niet betwist maar stelt dat daarvan al € 186,- is afgelost voor de peildatum. De rechtbank overweegt dat uit productie 13 van de man volgt dat – zoals de vrouw heeft aangevoerd – een bedrag van € 186,- is afgelost voor de peildatum. Voor wat betreft de resterende schuld van (744,18 – 186 =) € 558,18 zal de rechtbank vaststellen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Deurwaarderskantoor Boiten
De man stelt dat de schuld bij deurwaarderskantoor Boiten € 972,42 bedraagt. De vrouw erkent het bestaan van de schuld maar stelt dat een deel is afgelost voor de peildatum.
De rechtbank overweegt dat uit productie 14 volgt dat een bedrag van € 486,21 is afgelost voor de peildatum van 30 april 2024. De rechtbank zal voor het overige gedeelte van de schuld van (972,42 – 486,21 =) € 486,12 vaststellen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland
Volgens de man is de hoogte van de schuld bij de belastingsamenwerking Gouwe Rijnland € 2.345,18 plus invorderingsrente zoals volgt uit productie 16 en 17. De vrouw stelt dat ook bij deze schuld een gedeelte al is afgelost voor de peildatum. De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde producties blijkt dat de schuld bij Gouwe Rijnland op 10 april 2024 is afgeboekt van de rekening. De schuld is daarmee voldaan voorafgaand aan de peildatum.
Lening van de ouders van de man
De man zegt dat hij geld heeft moeten lenen van zijn ouders in maart 2024 en heeft hiervan een Whatsappbericht overgelegd. De vrouw betwist het bestaan van deze lening.
De rechtbank overweegt dat alleen in het geval dat partijen het eens zijn over het bestaan van een schuld danwel dat een schuld anderszins (door tussenkomst van een rechter) in rechte is komen vast te staan, de rechtbank een oordeel kan geven over de onderlinge draagplicht van partijen ten aanzien van een schuld. Nu partijen juist hierover twisten kan de rechtbank ook op dit punt thans geen oordeel geven. De rechtbank zal het verzoek op dit punt daarom afwijzen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de man het bestaan van de lening en de noodzaak daartoe onvoldoende heeft onderbouwd.
Concluderend stelt de rechtbank vast dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aflossing van de volgende schulden:
-Schuld aan dochter voor het betalen van de verkeersboete CJIB van € 1.359;
-Yards van € 797,25;
-Santander van € 21.868,57;
-De Zeeuwverzekeringen van € 558,18;
-Deurwaarderskantoor Boiten van € 486,12.
Benadeling van de gemeenschap door verkoop van de Harley Davidson
De vrouw heeft aangevoerd dat zij recht heeft op de helft van het bedrag waarvoor de man de Harley Davidson heeft verkocht aan een buurman. Er is volgens haar sprake van benadeling van de gemeenschap nu de Harley Davidson vlak voor de peildatum (op 26 april 2024) is verkocht. De man voert verweer en stelt dat hij de Harley Davidson in onderpand heeft moeten geven om de huwelijkse schulden af te kunnen lossen. Hij heeft daarvoor een bedrag van € 5.000,- gekregen.
De rechtbank is van oordeel dat van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:164 lid 1 BW geen sprake is. Vaststaat dat partijen veel schulden hadden en hebben. De man heeft vlak voor de peildatum een deel van deze schulden afgelost, onder meer met het bedrag dat hij heeft gekregen voor de Harley Davidson. Dit is ten gunste van de vrouw nu zij hierdoor minder hoeft bij te dragen aan de aflossing van de schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan. Het in onderpand geven van de Harley Davidson is hierdoor volgens de rechtbank niet te kwalificeren als benadeling van de gemeenschap.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.