Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:11592
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,276 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35396
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn drie minderjarige Nederlandse kinderen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het gevraagde verblijfsdocument op goede gronden heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 tot en met 9 staan het procesverloop en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 10. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
4. Eiser is geboren op [datum 1] 1977 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verblijft al zeker sinds 1986 in Nederland. Hij is op 16 februari 1994 in het bezit gesteld van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd. Met ingang van 1 april 2001 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend. Deze vergunning is bij besluit van 8 januari 2015 ingetrokken met ingang van 30 april 2013 in verband met meerdere gepleegde misdrijven. Aan eiser is daarbij ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 10 jaren opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast.
5. Eiser heeft drie kinderen die in Nederland wonen en die de Nederlandse nationaliteit hebben: [naam 1] (geboren [datum 2] 2008), [naam 2] (geboren [datum 3] 2010) en [naam 3] (geboren [datum 4] 2012).
6. Eiser heeft op 8 mei 2023 een aanvraag ingediend, zowel voor een verblijfsdocument EU/EER als voor opheffing van het inreisverbod. Het verblijfsdocument EU/EER zou eiser een afgeleid verblijfsrecht geven op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder heeft de aanvraag voor het verblijfsdocument EU/EER met het besluit van 5 juni 2023 afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet.
7. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
8. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Het arrest Chavez-Vilchez
10. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, indien vanwege de afhankelijkheid van de Unieburger de weigering van verblijf aan die derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten, waardoor aan de Unieburger het feitelijk genot van zijn Unierechtelijk verblijfsrecht wordt ontnomen.
11. In het arrest heeft het HvJEU onder meer overwogen (punt 70) dat moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land. In het kader van die beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dat artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, tweede lid, van dat Handvest erkende hogere belang van het kind.
12. Verweerder heeft hieraan in zijn beleid nadere invulling gegeven. Paragraaf B10/2.5.1 (tot 1 oktober 2024: B10/2.2) van de Vc vermeldt dat een derdelands ouder rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw als hij:
[…];
een minderjarig, Nederlands kind heeft;
daadwerkelijk voor het kind zorgt; en
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
De rechtbank acht dit beleid een juiste invulling van het arrest Chavez-Vilchez.
Daadwerkelijke zorgtaken (voorwaarde onder c)
13. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijke taken heeft bij de zorg en opvoeding van de kinderen. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit in elk geval geen rol speelde in de zorg en opvoeding van de kinderen. In een door eiser overgelegde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2025 is het verzoek van eiser voor een omgangsregeling met [naam 1] afgewezen omdat er al langere tijd geen contact tussen beiden is en [naam 1] heeft aangegeven geen contact te willen met zijn vader. Uit de beschikking blijkt verder dat ook de twee jongere kinderen sinds een jaar geen contact meer hebben met hun vader. De rechtbank heeft het in het belang van deze kinderen noodzakelijk geacht om een bijzonder curator te benoemen met als opdracht om de belangen van de minderjarigen te behartigen en om daarbij – onder meer – te onderzoeken of er nu of in de nabije toekomst mogelijkheden zijn voor contact tussen de twee kinderen en hun vader.
14. Eiser stelt zich op het standpunt dat moeder de omgang met de kinderen frustreert. Hij doet daarbij een beroep op het informatiebericht (IB) 2023/31 van verweerder.
15. In IB 2023/31 is over ‘frustratie van de omgang’ vermeld dat, als de andere ouder de omgang tussen de derdelands ouder en het kind frustreert, de derdelands ouder feitelijk – ongewenst – niet aan voorwaarde c kan voldoen. Daarbij is echter ook vermeld dat dit niet betekent dat de derdelands ouder in die situatie zonder meer voor een afgeleid verblijfsrecht in aanmerking komt. Van belang is dan bijvoorbeeld of de derdelands ouder vóór de frustratie van de omgang altijd intensief betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van het kind.
16. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser voor de gestelde frustratie van de omgang intensief betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Verweerder is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de door eiser in bezwaar overgelegde bewijsstukken ter onderbouwing van de zorg- en opvoedingstaken. Over de foto van hem en een van zijn kinderen heeft verweerder terecht overwogen dat daaruit niet blijkt van zorg- en opvoedingstaken. Over de verklaringen van de kinderen heeft verweerder kunnen overwegen dat deze niet objectief zijn, en dat daaraan om die reden weinig gewicht kan worden toegekend. Over de verklaring van de directeur van de basisschool van de kinderen heeft verweerder overwogen dat deze weliswaar in het voordeel van eiser pleit, maar dat de directeur daarin niet verklaart of, en in hoeverre eiser betrokken is in de zorg en opvoeding van de kinderen. De rechtbank volgt verweerder daarin. In de verklaring verklaart de directeur namelijk alleen dat het voor de ontwikkeling van de kinderen van belang is dat vader een rol kan blijven vervullen in hun opvoeding en dat vader daaraan alleen invulling kan geven als hij in Nederland kan blijven. Eiser heeft zijn standpunt dat hij in het verleden wel degelijk zorgtaken heeft verricht, in beroep niet nader onderbouwd met aanvullende bewijsstukken. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert.
17. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan de voorwaarde dat hij daadwerkelijk voor zijn kinderen zorgt.
Afhankelijkheid (voorwaarde onder d)
18. Verweerder heeft aan het bestreden besluit verder ten grondslag gelegd dat eiser niet samenwoont met zijn kinderen. Verweerder baseert dat op het gegeven dat uit de Brp blijkt dat eiser sinds 30 juli 2015 niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn kinderen.
19. Eiser voert aan dat hij ook na 2015 nog heeft samengewoond met zijn gezin, maar dat vanwege het inreisverbod en het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs een inschrijving in de Brp onmogelijk was.
20. Niet kan worden uitgesloten dat eiser ook na 30 juli 2015 nog heeft samengewoond met zijn gezin. Of er sprake was van samenwoning en wanneer precies, kan achteraf niet met zekerheid worden vastgesteld. In elk geval is van duurzame samenwoning geen sprake geweest. Vast staat dat eiser bijvoorbeeld meerdere malen gedetineerd is geweest. Niet in geschil is verder dat aan de samenwoning in elk geval een einde is gekomen in 2024. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij ten tijde van het bestreden besluit geen relatie meer had met de moeder van de kinderen en dat het contact op enig moment helemaal is gestopt. Het beroep van eiser op het arrest XU en QP (met name punt 67) kan niet slagen. Zoals de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in haar uitspraak van 31 oktober 2023 heeft overwogen, volgt uit het arrest niet dat er in alle gevallen van samenwonen met een minderjarige Unieburger sprake is van een weerlegbaar vermoeden van een afhankelijkheidsrelatie met die minderjarige Unieburger. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat van duurzame samenwoning als bedoeld in het arrest niet is gebleken.
Artikel 8 van het EVRM
21. Niet in geschil is dat er sprake is van een gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en ook niet dat het bestreden besluit een inmenging vormt op het recht op eerbiediging van dat gezinsleven. De rechtbank dient te beoordelen of die inmenging in dit geval gerechtvaardigd is.
22. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485, volgt dat artikel 8 van het EVRM verweerder ertoe verplicht om alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval kenbaar af te wegen tegen het algemene belang van het economisch welzijn van de Nederlandse staat.
Conclusie
28. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 30 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2016, 201600940/1/V1.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, C-133/15.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Vreemdelingenwet 2000.
Paragraaf 3.4, pagina 7.
Basisregistratie personen.
Arrest van het HvJEU van 5 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:354.
ECLI:NL:RBDHA:2023:19310.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ter zitting hebben partijen bevestigd dat er geen procedures meer lopen over het inreisverbod.