Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:11438
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,252 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5757
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder
(gemachtigden: G. Glas en J. Bos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Hervormde Gemeente Aarlanderveen te Nieuwkoop, vergunninghoudster.
Procesverloop
1. In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghoudster voor het realiseren van woningen, appartementen en een jeugdhaven aan de [reeks adressen] in [gemeente] .
1.1.
Verweerder heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 22 december 2021 (het primaire besluit) verleend. Met het besluit van 28 juli 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] .
1.4.
In de tussenuitspraak van 2 december 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.5.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 21 januari 2025 een herstelbesluit genomen. Daarbij heeft verweerder aan de hand van de door de gemeentelijk deskundige opgestelde Verkeerskundige visie beslist om af te wijken van artikel 11.1 van het bestemmingsplan en vrijstelling te verlenen op basis van artikel VI van de Nota Parkeernormen 2020 van de gemeente Alphen aan den Rijn. Dat betekent dat verweerder ook met het herstelbesluit de omgevingsvergunning heeft verleend.
1.6.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Uit het stuk ‘Verkeerskundige visie inzake parkeren woningbouwontwikkeling, ter hoogte van [adres 1] te [plaats] ’ van 8 oktober 2024 (hierna: Verkeerskundige visie) blijkt dat op het punt van de maximale bezettingsgraad van 85% niet is voldaan aan de geldende Parkeernota 2020 bij de toekenning van 10 openbare parkeerplaatsen aan het openbaar gebied voor de ontwikkeling op het terrein van de Hervormde kerk. In de Verkeerskundige visie wordt ook opgemerkt dat het proces om parkeerplekken uit de openbare ruimte toe te kennen aan de woningbouwontwikkeling niet vlekkeloos is verlopen. Verweerder heeft dit onderkend en ter zitting aangegeven een afwijkingsbesluit te willen nemen om dit gebrek te herstellen.
2.2.
Met het herstelbesluit heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en aangevuld. Het beroep van eiser is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. In de tussenuitspraak heeft rechtbank reeds overwogen dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in dit geval van toepassing blijft, omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning dateert van vóór 1 januari 2024. De Wabo blijft in dat geval van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Dit staat in artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dat betekent dat de Wabo ook van toepassing is op het herstelbesluit.
Het herstelbesluit
4. In het herstelbesluit stelt verweerder zich op het standpunt dat terecht gebruik is gemaakt van de in artikel 11.2 van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan) opgenomen mogelijkheid om af te wijken van de verplichting om op eigen terrein te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Volgens verweerder is dit mogelijk door vrijstelling van enkele bepalingen van de Nota Parkeernormen 2020 (de Parkeernota) te verlenen. Daarmee wordt afgeweken van de voorwaarde dat reeds aanwezige parkeerplaatsen in het gebied alleen mogen worden meegeteld als de parkeerbezetting op maatgevende momenten niet hoger is dan 85%. De in juni 2022 gemeten bezettingsgraad van 88,9% voldoet hier niet aan. Verweerder maakt gebruik van deze afwijkingsmogelijkheden, omdat het al gerealiseerde bouwplan een bijdrage levert aan het krappe woningaanbod en de mogelijkheid wordt geboden voor jongerenactiviteiten. De parkeerbehoefte wordt deels opgevangen op eigen terrein van de kerk en de resterende behoefte van 10 parkeerplaatsen kan worden opgevangen in de openbare ruimte binnen 100 meter loopafstand. Daarbij acht verweerder van belang dat er in de praktijk geen parkeeroverlast is ontstaan en dat er binnen 300 meter voldoende overloop voor parkeren mogelijk is, mocht er incidenteel meer parkeerbehoefte zijn.
Beoordeling
Beroepsgronden waarover in de tussenuitspraak al is geoordeeld
5. In reactie op het herstelbesluit gaat eiser in op de ligging van de fundering in openbaar gebied, op volgens hem gemanipuleerde tekeningen en onveilige situaties op het trottoir. Over die beroepsgronden heeft de rechtbank al geoordeeld in de tussenuitspraak. Met verwijzing naar het toetsingskader onder 2. van deze uitspraak overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is om terug komen van deze oordelen in de tussenuitspraak.
De nadere motivering van verweerder over de parkeerbehoefte
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in totaal 25 parkeerplaatsen nodig zijn voor het bouwplan van vergunninghoudster. Eiser onderkent ook dat er 15 parkeerplaatsen op het terrein van de kerk gerealiseerd kunnen worden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder ervan heeft mogen uitgaan dat de resterende parkeerbehoefte van tien parkeerplaatsen kan worden opgevangen in het openbaar gebied, binnen 100 meter loopafstand. Volgens eiser is dat niet het geval. Hij betoogt dat verweerder zich niet heeft kunnen baseren op de Verkeerskundige visie en de daarin opgenomen parkeertellingen en gehanteerde loopafstanden.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de Verkeerskundige visie is opgesteld door verkeersdeskundigen van de gemeente en dat daarin is ingegaan op de beroepsgronden van eiser. In het herstelbesluit en de daarbij gevoegde memo van verkeersdeskundigen van
3 januari 2025 is ingegaan op de reactie van eiser op de Verkeerskundige visie.
6.2.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de Verkeerskundige visie niet aan het herstelbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Niet gebleken is dat de Verkeerskundige visie niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. De redenering in dit document is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten hierop aan. Eiser heeft hier geen advies van een verkeerskundige tegenover gesteld. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de reactie van eiser geen aanleiding geeft om de bevindingen in de Verkeerskundige visie niet te volgen. In verband hiermee overweegt de rechtbank het volgende.
Loopafstand
6.3.
Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er voor het parkeren ten behoeve van kerkbezoek een afstand van 300 meter kan worden aangenomen. Eiser vindt dat religie niet als vrije tijd kan worden aangemerkt en stelt dat sommige bezoekers van de kerk slecht ter been zijn en daarom niet in staat zijn om een afstand van 300 meter te voet af te leggen.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat in tabel 9 van de Parkeernota de volgende maximale loopafstanden gelden tot parkeerlocaties ten behoeve van gebouwen en/of voorzieningen:
Functie
Afstand tot vervangende parkeerplaatsen
Wonen centrum
400 meter
Wonen schil
250 meter
Wonen overige gebieden
100 meter
Winkelen centrum
600 meter
Winkelcentra
300 meter
Winkels en supermarkten
150 meter
Werken
800 meter
Vrije tijd, sport, ontspanning
300 meter
Gezondheidszorg
100 meter
Onderwijs
150 meter
6.5.
Het komt de rechtbank in het licht van de variërende afstanden uit deze tabel niet onredelijk voor dat verweerder voor de functie religie heeft aangesloten bij de loopafstand van 300 meter voor vrije tijd, sport en ontspanning. Dat religie volgens eiser niet kan worden aangemerkt als vrije tijd maakt dit niet anders. Van belang is namelijk of een vergelijkbare loopafstand mag worden gehanteerd. In wat eiser naar voren brengt ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een loopafstand van 300 meter voor het bezoeken van de kerk niet reëel is. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat deze loopafstand blijkens de Verkeerskundige visie alleen aan de orde is voor zover niet op het terrein aan de kerk en niet op een kortere afstand – binnen 100 meter loopafstand – kan worden geparkeerd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de bereikbaarheid van de kerk voor mensen die slecht ter been zijn.
Maatgevende moment
6.6.
Voor zover eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de zondagochtend als het maatgevende moment voor kerkbezoek heeft aangemerkt, overweegt de rechtbank dat eiser geen objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de zondagochtend niet het maatgevende moment zou zijn. Het betoog slaagt niet.
Parkeerbehoefte door gesplitste woning
6.7.
Eiser wijst erop dat de woning [adres 2] in twee appartementen is gesplitst, op basis van een in 2023 verleende omgevingsvergunning. De parkeerbehoefte in het openbaar gebied is daardoor toegenomen en het leidt tot overlast door het parkeren voor inritten van andere woningen.
6.8.
Dit betoog geeft geen aanleiding voor oordeel dat het college niet had mogen besluiten tot afwijking van de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernorm of dat onvoldoende onderzoek naar de parkeerbehoefte is verricht. In deze procedure staat alleen de aanvullende parkeerbehoefte ter beoordeling die kan worden toegerekend aan de met de omgevingsvergunning van 22 december 2021 vergunde ontwikkeling. Voor zover sprake is van overlast door parkeren op plaatsen waar dat niet is toegestaan, is dit een kwestie van handhaving.
Geschiktheid parkeerplaatsen in openbaar gebied
6.9.
Eiser betoogt dat ten onrechte wordt uitgaan van tien beschikbare plaatsen binnen 100 meter loopafstand. Volgens hem kunnen parkeerplaatsen aan de overkant van de Stationsstraat niet worden meegeteld, omdat parkeren daar tot een verkeersonveilige situatie leidt. Verder zijn twee parkeerplaatsen aan de [straatnaam 1] uitsluitend bestemd voor het stallen van elektrische auto’s tijdens het opladen. Die kunnen niet worden meegeteld bij de parkeercapaciteit.
6.10.
Eiser heeft niet met objectieve gegevens onderbouwd dat parkeren aan de [straatnaam 2] – tegenover nummer [huisnummer 1] en [huisnummer 2] – vanwege verkeersveiligheid niet mogelijk is. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de twee parkeerplaatsen aan de [straatnaam 1] die zijn bestemd voor het opladen van elektrische auto’s kunnen worden gerekend tot de parkeercapaciteit.
Conclusie
7. De nadere motivering in het herstelbesluit in aanmerking genomen, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat afwijking van de in het bestemmingsplan opgenomen vereisten over parkeren niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie
8. Gelet op de in de tussenuitspraak van 2 december 2024 geconstateerde gebreken, is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond. Omdat verweerder met het herstelbesluit de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand laten.
8.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
8.2.
Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
- verklaart het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:314 (onder 7.3).