Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:11412
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
861 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.19904 en NL25.19905
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 27 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 april 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Voorts is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
2. Eiser kan zich niet met het inreisverbod verenigen. Eiser voert aan dat de grondslagen voor het inreisverbod voor de duur van twee jaar onvoldoende zijn gemotiveerd door de minister en dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld - hij is niet gehoord over humanitaire of persoonlijke omstandigheden - om feiten en omstandigheden naar voren te brengen om van het inreisverbod af te zien.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser in het beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft gemotiveerd dat er een onttrekkingsrisico is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn omstandigheden naar voren te brengen. Eerst tijdens het gehoor waar hij niet is verschenen en vervolgens in de zienswijze waarop de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gereageerd. Gelet hierop heeft de minister de termijn van het inreisverbod kunnen vaststellen op twee jaren.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Nu op het beroep wordt beslist bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
6. Er wordt geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. A.G.D. Overmars, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, op 27 juni 2025.
Het proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.