Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:11402
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,958 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/064329-25
Datum uitspraak: 27 juni 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T.W.A. Coulier naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2025 te ’s-Gravenzande, gemeente Westlandter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[de aangever]opzettelijkvan het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [de aangever] met een mes in de zij/flank/rug, in elk geval in het bovenlichaam,heeft gestokenterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 februari 2025 te ’s-Gravenzande, gemeente Westland[de aangever] heeft mishandeld door hem te schoppen en/of met een mes in dezij/flank/rug, in elk geval het bovenlichaam, te steken.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van poging tot doodslag en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman expliciet geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025066239, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 155).
1. Het proces-verbaal van aangifte door [de aangever] , opgemaakt op 1 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 51 - 53):
Gisteravond hebben [naam] (de rechtbank begrijpt: [naam] ) en ik de verdachte (de rechtbank begrijpt: de verdachte [de verdachte] ) naar huis gebracht. Ongeveer rond 22:40 uur kwamen wij aan bij de woning aan de [adres] in
’s-Gravenzande.
Toen ik buiten stond, ongeveer een halve meter van de voordeur af, stond ik met mijn rug naar de deur. Ik draaide me om en zag dat hij met een mes in zijn hand op mij af kwam rennen. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand vast had. Ik reageerde door direct weg te rennen. Door de schrik kwam ik ten val. Ik zag dat hij steekbewegingen maakte in de richting van mijn bovenlichaam. Ik zag dat hij verschillende keren met het mes op me in wilde steken. Zowel recht op mijn lichaam als bewegingen van boven naar beneden. Door de val is het mes niet ver in mijn lichaam gegaan. Toen ik overeind kwam voelde ik pijn in mijn zij en zag ik dat ik bloed op mijn trui had. Ik weet dat het een groot mes was.
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] , opgemaakt op 1 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 86):
Ik was samen met [de aangever] in de woning aan de [adres] in ‘s-Gravenzande. In de woning ontstond ruzie tussen [de aangever] en een andere man, [de verdachte] . Ik zag dat [de verdachte] vanuit de woonkamer naar de keuken liep en terugkwam met een mes in zijn hand. Voor zover ik mij kan herinneren was het een groot mes van ongeveer 25 of 30 centimeter lang met een houten handvat. Het mes was zilverkleurig en leek op een vleesmes. Ik zag dat [de verdachte] naar [de aangever] liep in de woonkamer. Ik zag dat [de verdachte] vlak tegenover [de aangever] ging staan. Ik zag dat [de verdachte] voor [de aangever] met het mes stond te zwaaien. Hierna gingen [de verdachte] en [de aangever] naar buiten. Eenmaal buiten zag ik dat [de verdachte] met het mes in zijn hand een stekende beweging richting [de aangever] maakte. Ik zag dat [de verdachte] achter [de aangever] aan rende. [de verdachte] had het mes in zijn hand.
3. Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [de aangever] , opgemaakt op 1 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 57):
Steekverwonding thorax L, sprake van uitwendig bloedverlies.
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 juni 2025, voor zover inhoudende:
Op 28 februari 2025 heb ik in ’s-Gravenzande ruzie gehad met [de aangever] . Misschien heb ik wel iets in mijn hand gepakt om hem te laten schrikken. Misschien was het een mes.
5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ‘s-Gravenzande), opgemaakt op 3 april 2025, voor zover inhoudende (p. 110):
Wij, verbalisanten, zagen dat in de woonkamer,
- een mes lag;
- dit mes een houten heft had en een zilverkleurig lemmet;
- de lengte van het lemmet circa 215 millimeter betrof en dat er bloedsporen op het lemmet zaten.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte de aangever met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze handeling gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte met een mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt naar de aangever, die als gevolg daarvan een steekverwonding heeft opgelopen in zijn borstkas. Naar algemene ervaringsregels levert het steken op een dergelijke plek in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op de dood op: het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de borstkas vitale organen bevinden. Als deze geraakt worden is in de regel sprake van een levensbedreigende situatie die tot de dood van het slachtoffer kan leiden. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft iedereen, dus ook de verdachte, wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans.
Beoordeling
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is allereerst een noodweersituatie vereist.
Hiervoor dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
Daarnaast is voor noodweerexces vereist dat de verdachte tijdens de noodweersituatie vanwege een hevige emotie die door de wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt te ver gaat in de noodzakelijke verdediging (intensief noodweerexces), dan wel dat de verweten gedraging is verricht op een moment nadat de noodweersituatie is beëindigd maar deze gedraging wel het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).
De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk is geworden. De door de verdachte gestelde feitelijke toedracht, namelijk dat de aangever de verdachte zou hebben geprovoceerd en aangevallen, vindt geen steun in het dossier. Zo is deze niet waar te nemen op de camerabeelden, die juist een aanvallende gedraging van de verdachte jegens de aangever laten zien. Aanvallende gedragingen van de aangever jegens de verdachte in de aanloop naar het incident zijn ook niet waargenomen door getuige Cyra of anderen. Integendeel, volgens Cyra zag zij een agressieve houding van de verdachte tegenover het slachtoffer, “alsof hij hem in elkaar wilde slaan”. Volgens Cyra was er vervolgens wel een ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer, maar niet is gebleken dat het slachtoffer daarbij als eerste de confrontatie heeft gezocht of geweld heeft gebruikt. Bovendien heeft Cyra verklaard dat de verdachte in de woning waarin zij zich inmiddels bevonden naar de keuken ging om een mes te halen toen de situatie niet meer verhit was.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Evenmin is aannemelijk geworden dat de gestelde aanranding nog gaande was toen de verdachte het mes ging halen en dat vervolgens hanteerde.
Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het toebrengen van de steekverwonding door de verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij zich sterk voelde tijdens het incident en het slachtoffer ook wilde slaan. Deze verklaring wijst er niet op dat de verdachte in paniek of uit een andere opgewekte hevige emotie handelde. Ook verder zijn daar geen aanwijzingen voor.
Het verweer wordt verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom volgens de wet strafbaar.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis heel hoog is voor iemand met een blanco strafblad, die altijd heeft gewerkt. De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat mee te wegen dat de verdachte ook is aangevallen.
6.3.
Beoordeling
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer met een mes gestoken in de borstkas. Het door de verdachte uitgeoefende geweld heeft bij het slachtoffer letsel veroorzaakt. Dat het niet erger is afgelopen is niet aan de verdachte te danken. Door zijn handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien maakt een dergelijke steekpartij, waarvan een deel heeft plaatsgevonden op straat, een grote inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken dergelijke ernstige feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Wat de verdachte precies heeft bewogen om het slachtoffer met een mes te lijf te gaan, is de rechtbank niet duidelijk geworden. Het lijkt erop dat overmatig alcoholgebruik door de verdachte daarbij een rol heeft gespeeld. Dat drankgebruik is uiteraard de verantwoordelijkheid van de verdachte en laat de ernst van het feit onverlet.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 mei 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.
Gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van het toegepaste geweld en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van primair:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. van Welie, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2025.