Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:11400
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,631 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 20-610
Zaaknummer: C/09/588043
Datum beschikking: 10 april 2025
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 29 januari 2020 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
zonder advocaat (voorheen: mr. N. van Amsterdam te Leiden).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V.L.T. van Roy te Leiden.
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling).
Procedure
Bij echtscheidingsbeschikking van 19 november 2021 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; - iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden.
Bij beschikking van 21 april 2022 van deze rechtbank is bepaald dat het contact tussen de kinderen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) en de vader voorlopig onder regie van de jeugdbeschermer zal plaatsvinden. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden.
Bij beschikking van 5 april 2023 van deze rechtbank is nogmaals bepaald dat de behandeling van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling wordt aangehouden.
De rechtbank heeft nogmaals kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9-bericht van 31 mei 2024, met bijlage, van de zijde van de vader.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het nog voorliggende verzoek.
Op 13 maart 2025 is de behandeling op de zitting van deze rechtbank voortgezet in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel het onderhavige nog voorliggende verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een jaar (C/09/679042, JE RK 25-136). Op laatstgenoemd verzoek is bij afzonderlijke beschikking van 13 maart 2025 toewijzend beslist, waardoor de kinderen onder toezicht staan tot 24 maart 2026.
Op de zitting zijn verschenen:
de moeder;
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vader om vastelling van een zorgregeling tussen hem en de kinderen.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
De rechtbank constateert dat de kinderen hun vader al heel lang niet meer hebben gezien. Op grond van de stukken, dat wat op de zitting is besproken en wat [minderjarige 1] aan de kinderrechter heeft verteld, heeft de rechtbank – net als de jeugdbeschermer – de indruk dat er bij de kinderen geen ruimte is voor contact met hun vader. De kinderen zijn allebei erg loyaal naar de moeder, die volwassen zaken met de kinderen bespreekt. De kinderrechter zag ook dat [minderjarige 1] een geschreven A4-tje (met de punten die hij wilde bespreken) onder tafel op zijn schoot hield, waardoor de indruk ontstond dat hij het niet wilde laten zien.
Op de vraag van de kinderrechter of [minderjarige 1] ook goede herinneringen heeft aan zijn vader, gaf [minderjarige 1] aan dat hij alleen positief terugdenkt aan de tijd dat zijn ouders nog samen waren. Vanaf het moment dat de ouders uit elkaar zijn, kon [minderjarige 1] zich niks positiefs over de vader herinneren.
Groot bezwaar van de kinderen is de strafrechtelijke veroordeling van de vader, waarbij het feiten betreft die hebben plaatsgevonden vóór het huwelijk met de moeder en vóór de geboorte van de kinderen. Desondanks lijkt dit bij de kinderen een grote rol te spelen bij hun weerstand tegen contact met de vader. Die grote weerstand wordt door de gecertificeerde instelling al onderzocht. Ook wordt door de gecertificeerde instelling beoordeeld of er contact tussen de kinderen en de vader mogelijk is en, zo ja, wat daarvoor nog nodig is.
In dat verband is van belang dat de kinderen inmiddels zijn gestart bij [instelling] en EMDR therapie krijgen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling kijkt naar de mogelijkheden tot contactherstel en omgang tussen de vader en de kinderen en zal in die zin dan ook bepalen dat de gecertificeerde instelling de regie heeft over de vraag of er een zorgregeling met vader moet komen en, zo ja, hoe die regeling eruit moet (gaan) zien.
In het licht van het bovenstaande – en gelet op het feit dat deze zaak al ruim vijf jaar aanhangig is – ziet de rechtbank geen aanleiding om een beslissing over de zorgregeling nogmaals aan te houden, zodat een eindbeschikking wordt gewezen.
Het meer of anders door de vader verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat het aan de gecertificeerde instelling is om te bepalen of en, zo ja, hoe er een zorgregeling tot stand komt tussen de vader en de minderjarigen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] );
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2025.