Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:11392
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,935 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1881
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 21 juni 2023 een vierde opvolgende asielaanvraag ingediend. Zij heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [datum 1] 1982. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, mr. J.P.E. Huisman als waarnemer van gemachtigde, T.A.Y. Kalep als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Het asielrelaas
Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Sinds haar vorige asielaanvraag en gedurende deze asielaanvraag zijn er een aantal dingen in haar leven veranderd. Eiseres is op 18 augustus 2023 gescheiden van haar vorige partner en heeft een kind gekregen met haar nieuwe partner. Samen hebben ze een zoon [zoon] , geboren op [datum 2] 2024 en dochter [dochter] , geboren op [datum 3] 2022. Haar partner komt uit Eritrea. Hij heeft, net als haar twee kinderen, de Nederlandse nationaliteit. Eiseres vreest voor haar veiligheid in Eritrea omdat zij in Eritrea als een alleenstaande vrouw wordt gezien. Eiseres vreest voor vervolging omdat zij haar dienstplicht heeft ontdoken. In haar voorgaande procedure werd dit niet geloofwaardig geacht omdat eiseres een identiteitskaart heeft. Dit zou betekenen dat eiseres zich niet heeft onttrokken aan de Eritrese autoriteiten en dus ook de dienstplicht niet heeft ontdoken. Hiertoe heeft eiseres een kopie van de identiteitskaart van haar zus overgelegd, omdat haar zus ook haar identiteitskaart zou hebben gekregen zonder hiervoor in militaire dienst te gaan. Eiseres wil hiermee aantonen dat zij ook haar identiteitskaart heeft kunnen verkrijgen zonder in militaire dienst te gaan. Zij heeft enkel een militaire training gevolgd, maar heeft zonder de dienstplicht te voltooien haar identiteitskaart ontvangen en is vijf jaar later Eritrea ontvlucht.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Besnijdenis dochter;
Dienstplichtontduiking.
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt niet verder getoetst door verweerder omdat de dochter van eiseres inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft en de asielaanvraag geen betrekking meer op de dochter heeft. Het derde asielmotief acht verweerder niet geloofwaardig.
3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de documenten over de asielprocedure van de zus van eiseres niets toevoegen aan de geloofwaardigheid van de dienstplichtontduiking van eiseres. De ongeloofwaardigheid hiervan baseert verweerder op het ontbreken van documenten maar ook op de vage en summiere verklaringen van eiseres hierover. De inwilliging van de asielaanvraag van de zus van eiseres in Zwitserland maakt dit niet anders omdat iedere asielaanvraag op zijn individuele en eigen merites wordt beoordeeld. Verweerder volgt niet dat eiseres te vrezen heeft in Eritrea als alleenstaande vrouw omdat eiseres geen persoonlijke feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat zij als alleenstaande vrouw een ernstig risico op schade loopt bij terugkeer naar Eritrea. Verweerder volgt ook niet dat de illegale uitreis van eiseres anders bekeken moet worden. Volgens verweerder is de ongeloofwaardigheid hiervan immers al in rechte vast komen te staan. Verweerder wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, gebaseerd op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Verweerder toetst niet door aan artikel 8 van het EVRM omdat het gaat om een herhaalde asielaanvraag. In het kader van de kinderen van eiseres toetst verweerder ook niet door aan artikel 8 EVRM omdat zij geen asiel aan hoeven te vragen en geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit.
Had verweerder rekening moeten houden met het asieldossier van de zus van eiseres en daar nader onderzoek naar moeten doen?
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aan de documenten die eiseres heeft overgelegd bij haar opvolgende aanvraag te weinig waarde heeft toegekend. Eiseres heeft een kopie van de identiteitskaart van haar zus en een vertaling van een ontslagbrief uit het leger van haar zus overgelegd. De documenten geven aan dat er aanwijzingen zijn dat het verkrijgen van een identiteitskaart van de Eritrese overheid niet hoeft te betekenen dat eiseres zich niet heeft weten te onttrekken aan het zicht van de autoriteiten. De asielaanvraag van de zus van eiseres is ingewilligd door de Zwitserse autoriteiten. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten volle rekening moet houden met het asieldossier van haar zus vanwege het beginsel van interstatelijk vertrouwen. Hierbij beroept eiseres zich op het QY-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 22 januari 2025. Hieruit volgt dat lidstaten ten volle rekening moeten houden met de beslissing van een andere lidstaat betreffende een asielaanvraag van de vreemdeling en de ondersteunende elementen hiervan. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder zijn samenwerkingsverplichting heeft geschonden zoals deze is neergelegd in artikel 40, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Eiseres heeft geprobeerd om het asieldossier van haar zus te verkrijgen via de Zwitserse autoriteiten maar is hier niet in geslaagd. Verweerder zou nader onderzoek moeten instellen bij de Zwitserse nationale immigratiedienst. Verweerder handelt in strijd met het L.H.-arrest van het Hof door het asieldossier van de zus van eiseres niet te betrekken in de beoordeling van onderhavige opvolgende aanvraag.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond hoe de documenten van de zus van eiseres betrekking hebben op het asielrelaas van eiseres. Met het overleggen van een kopie van de identiteitskaart van de zus van eiseres en een ontslagbrief uit het leger van de zus van eiseres heeft eiseres niet aangetoond dat ook eiseres bij terugkeer te vrezen zou hebben. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat elke asielaanvraag op individuele en eigen merites moet worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom geen nader onderzoek heeft hoeven doen bij de Zwitserse autoriteten naar de asielprocedure van de zus van eiseres. Het beroep op het L.H.-arrest slaagt daarom niet. Het beroep van eiseres op het QY-arrest van het Hof slaagt evenmin. Dit arrest ziet op de situatie dat een persoon in een lidstaat asiel heeft aangevraagd en later in een andere lidstaat wederom asiel aanvraagt. In onderhavige procedure gaat het niet om dezelfde persoon, maar om eiseres en haar zus. Om diezelfde reden slaagt ook het beroep op voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de belangen van de minderjarige kinderen van eiseres onvoldoende meegenomen in het bestreden besluit?
6. Eiseres voert aan dat verweerder geen blijk heeft gegeven van een afweging van de belangen van de kinderen van eiseres. Mogelijk worden de kinderen van hun moeder gescheiden als eiseres moet terugkeren naar Eritrea. Eiseres verwijst hierbij naar artikel 24, tweede lid en artikel 51, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en naar het TQ-arrest van het Hof. Hieruit volgt het fundamentele karakter van de rechten van het kind die een essentiële overweging hadden moeten zijn in de besluitvorming van verweerder. Eiseres acht het hierbij niet relevant dat het gaat om haar eigen mogelijke terugkeer en niet die van haar minderjarige kinderen, onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof in M.A. tegen België.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eiseres. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres niet gedwongen uitgezet zal worden naar Eritrea. Dit volgt uit de Vreemdelingencirculaire. Eiseres en haar kinderen zullen daarom niet van elkaar gescheiden worden door een gedwongen terugkeer van eiseres naar Eritrea.
Conclusie
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 10 maart 2020, niet gepubliceerd.
Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Het Hof 18 juni 2024, C-753/22, ECLI:EU:C:2024:524.
De rechtbank 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:714.
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 juni 2013.
Het Hof 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478.
Het Hof, 14 januari 2021, C-411/19, ECLI:EU:C:2021:9.
Het Hof, 11 maart 2021, C-122/20, ECLI:EU:C:2021:197.
Paragraaf C7/13.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) (Vc).
WI 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM’, pagina 4.