Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:11369
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,727 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24533
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen stukken, waarop hij zich op de zitting heeft beroepen, te overleggen en om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Eiser zelf is ook, na afstemming met zijn gemachtigde, in de gelegenheid gesteld om na de zitting schriftelijk zijn zienswijze te geven. Het was niet was gelukt om een tolk voor hem te regelen nadat het verzoek om een Oezbeekse telefonische tolk was afgewezen en de Russische tolk die tijdens de zitting geregeld kon worden de telefoon niet opnam. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
Op 10 juni 2025 heeft verweerder twee nieuwe stukken overgelegd: een kopie van eisers paspoort (gedingstuk 25) en een ‘melding met rapportage’ van 1 juni 2025 (gedingstuk 26). Op 11 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiser daarop schriftelijk gereageerd en een registratie van de Nissan Almera (gedingstuk 28) overgelegd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 16 juni 2025 gesloten.
Overwegingen
Onvolledig dossier
1. Volgens eiser blijkt niet uit de M105 hoe eiser in handen van verweerder is gekomen of hoe de identiteit van eiser kon worden vastgesteld. In de M110 staat dat sprake is van de aanwezigheid van een identificerend document, zonder daarbij welk document het betreft. De rechtbank heeft verweerder op de zitting gevraagd de betreffende stukken alsnog aan het dossier toe te voegen. Dit heeft verweerder gedaan door een kopie van eisers paspoort en een ‘melding met rapportage’ te overleggen. De rechtbank overweegt dat het voor zowel de gemachtigde van eiser als de rechtbank vervelend is wanneer stukken laat of zelfs helemaal niet voorafgaand aan de zitting aan het dossier worden toegevoegd. Dit belemmert een goede inhoudelijke voorbereiding van de zaak. Het dossier is echter uiteindelijk wel volledig gemaakt, en eiser heeft de tijd gekregen om hierop schriftelijk te reageren. Eiser is dus niet zodanig benadeeld door deze gang van zaken dat de rechtbank aanleiding ziet hieraan consequenties te verbinden.
Rechtmatigheid staandehouding en ophouding
2. Eiser voert verder aan dat de zwarte Nissan Almera die op 1 juni 2025 staande is gehouden volgens de ‘melding met rapportage’ wel degelijk WAM-verzekerd is. Hij verwijst daarbij naar de registratie van het voertuig, die hij heeft overgelegd. Ook is in het document volgens eiser niet vermeld op basis van welk lid van artikel 50 van de Vw eiser is staande gehouden, en is onduidelijk hoe verweerder in het bezit is gekomen van de kopie van het paspoort van eiser.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de ‘melding met rapportage’ van 1 juni 2025 volgt dat de Nissan Almera flink vaart minderde toen de verbalisanten het voertuig naderden op de A13, en dat het voertuig niet WAM-geregistreerd stond. De bestuurder toonde een geldig rijbewijs, maar kon niet uitleggen waarom hij 60 km/uur reed waar 100 km/uur is toegestaan. De verbalisanten zagen vier andere personen in het voertuig zitten, waarvan er drie geen gordels droegen. Op basis hiervan hebben de verbalisanten identiteitsbewijzen gevorderd. Toen bleek dat eiser SIS-gesignaleerd stond en verwijderbaar was.
4. Met deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de aanleiding om de identiteitsbewijzen te vragen niet-vreemdelingrechtelijk was. Duidelijk is dat de initiële staandehouding van eiser niet in een vreemdelingrechtelijk kader heeft plaatsgevonden, maar op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190, volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat de rechtbank de strafrechtelijke staandehouding van eiser in deze bewaringsprocedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de ophouding van eiser – anders dan eiser stelt – kon baseren op artikel 50, derde lid, van de Vw. Toen bleek dat er een identiteitsdocument in het systeem stond, kon eisers identiteit onmiddellijk worden vastgesteld en dan is artikel 50, derde lid, de juiste grondslag voor de ophouding. Dat onduidelijk is hoe verweerder in het bezit is gekomen van de kopie van eisers paspoort, doet daar niet aan af.
6. Eisers betoog dat deze grondslag voor de ophouding zich niet verhoudt met de grondslagen voor de bewaring van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw, zal de rechtbank hieronder bespreken (zie overwegingen 8-13).
7. De beroepsgronden slagen niet.
Bewaringsgrondslagen en -gronden
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Daarnaast heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
9. Eiser betoogt dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser wijst er in dit verband op dat verweerder beschikt over een kopie van eisers paspoort en dat verweerder tijdens de ophouding ook is uitgegaan van de op die kopie vermelde personalia (eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld). Volgens eiser staan zijn identiteit en nationaliteit dan ook niet ter discussie. Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw is volgens eiser ook niet van toepassing omdat uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat ook het adres van eiser bekend is bij de autoriteiten, en dit zou in samenhang met de persoonsgegevens uit eisers paspoort voldoende moeten zijn om de asielaanvraag van eiser te beoordelen.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring in ieder geval kon baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw: ‘de bewaring is noodzakelijk met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking’. De Afdeling heeft onder meer in de uitspraken van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852) en 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011) overwogen dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, verweerders standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken al dragen. Voor zover eiser in dit kader heeft bedoeld te stellen dat er geen sprake is van een onttrekkingsrisico omdat eiser een asielaanvraag heeft gedaan en in een AZC kan verblijven, gaat de rechtbank daar dan ook niet in mee.
12.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.