Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:11236
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,681 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24599
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 9 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 11 juni 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 13 juni 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat op 26 februari 2025 de opvolgende asielaanvraag door verweerder als kennelijk ongegrond is afgedaan en het beroep bij uitspraak van 23 mei 2025 ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vb 2000 heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de daargenoemde uitzonderingen aan de orde zijn. Nu de derde asielaanvraag van 27 mei 2025 onder die uitzondering valt, leidt deze niet tot (procedureel) rechtmatig verblijf. Verweerder heeft eiser daarom op de verkeerde grondslag in bewaring gesteld.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
6. Eiser heeft op 28 mei 2025 een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend waarna verweerder hem op 28 mei 2025 in bewaring heeft gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw 2000. Dit houdt in dat eiser op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist. De asielaanvraag van eiser is bij beschikking van 8 juni 2025 afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de maatregel op de verkeerde grondslag heeft opgelegd. De hoofdregel is dat eiser ook bij een tweede opvolgende aanvraag in beginsel de beslissing op zijn asielaanvraag mag afwachten, tenzij de uitzonderingen bedoeld in artikel 3.1 van het Vb 2000 aan de orde zijn. Nu de toepasselijkheid van deze uitzonderingen niet in de bewaringsprocedure kan worden beoordeeld en op dit moment evenmin in rechte vaststaat (door een onherroepelijk asielbesluit of een besluit op grond van 3.1 van het Vb 2000) dat deze van toepassing zijn, heeft verweerder terecht, uitgaande van de hoofdregel, de maatregel gebaseerd op 59b, eerste lid, van de Vw 2000.
7. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:244.