Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:11066
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,323 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/12729
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres]
, domicilie kiezende bij haar gemachtigde, [gemachtigde] , te Aalsmeer, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, namens deze; Procesvertegenwoordiging IND, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2023 afgewezen. Daartegen heeft eiseres op 10 november 2023 bezwaar ingediend.
1.2.
Eiseres heeft op 19 maart 2024 verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift.
1.3.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres met het besluit van 15 juli 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is gebleken dat de indiener van het bezwaarschrift gemachtigd is om namens eiseres een bezwaarschrift in te dienen (bestreden besluit I). Eiseres heeft op 9 augustus 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.4.
Met het besluit van 23 augustus 2024 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en is met een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit). Verweerder heeft in dit besluit ook geoordeeld dat de ingebrekestelling terecht is, verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling heeft beslist, maar dat verweerder geen dwangsom hoeft te betalen omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
1.5.
Het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. Eiseres kan zich ook niet met het bestreden besluit verenigen. Daar zal de rechtbank hierna op ingaan.
1.6.
Eiseres heeft op 17 februari 2025 nadere gronden ingediend tegen het bestreden besluit.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de visumaanvraag voor kort verblijf. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit I heeft ingetrokken. Nu het bestreden besluit I is ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.
De besluitvorming
5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1959 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres heeft, samen met haar inmiddels overleden echtgenoot, een visum aangevraagd om op bezoek te gaan bij familieleden die in Nederland wonen (referent), in de periode van 10 november 2023 tot en met 8 februari 2024.
5.1.
Verweerder heeft het ingediende bezwaar tegen deze afwijzing met het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft namelijk redelijke twijfel of eiseres Nederland tijdig zal verlaten, omdat onvoldoende is gebleken van sociale en economische binding met Iran. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd de weigeringsgronden genoemd in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en iii, en onder b, van de Visumcode.Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit ook op het standpunt gesteld dat hoewel er niet tijdig is beslist op het bezwaar, verweerder geen dwangsom hoeft te betalen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Toetsingskader
6. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode volgt dat verweerder een visum moet weigeren bij redelijke twijfel over het voornemen van de aanvrager om Nederland te verlaten vóór de afloop van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.
6.1.
Het is aan eiseres om aan te tonen dat zij aan de vereisten van het gevraagde visum voldoet (artikel 14 van de Visumcode). Eiseres moet met objectieve bewijsmiddelen aannemelijk maken dat zij tijdig zal terugkeren naar Iran.
6.2.
Bij de beoordeling van de door eiseres aangeleverde gegevens beschikt verweerder over een ruime beoordelingsruimte. Bij die beoordeling mag verweerder de sociale en economische binding van eiseres met het land van herkomst betrekken. De rechtbank kan het standpunt van verweerder dat sprake is van een weigeringsgrond slechts terughoudend toetsen.
Had verweerder eiseres moeten horen?
7. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Gezien de aard en complexiteit van de zaak had een hoorzitting kunnen bijdragen aan een zorgvuldigere beoordeling van de visumaanvraag.
7.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat een hoorzitting in dit geval niet tot een ander oordeel zou leiden. Door het horen zou niets veranderen aan de binding van eiseres met Iran, de financiële situatie van eiseres en de garantsteller (referent) en de bevindingen met betrekking tot het reisdoel. Daarom is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte eiseres niet heeft gehoord en overweegt hiertoe als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 geoordeeld dat verweerder vreemdelingen vaker zal moeten horen als zij bezwaar maken tegen een besluit. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De Afdeling heeft in haar uitspraak overwogen dat er gevallen zijn waarin het minder vanzelfsprekend is dat van een hoorzitting in bezwaar wordt afgezien. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem kan worden verlangd, of de situatie waarin er - om welke reden dan ook - nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. Het uitgangspunt dat een vreemdeling gehoord wordt komt in deze situaties bijzonder belang toe, omdat er immers veel omstandigheden denkbaar zijn die meebrengen dat een vreemdeling niet alle verzochte informatie kan overleggen. Een hoorzitting kan juist dan uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, of eventueel te zoeken naar oplossingen voor gerezen problemen.
7.3.
De rechtbank acht van belang dat de beoordeling of eiseres aan de voorwaarden voldoet voor een visum afhankelijk is van de individuele omstandigheden van eiseres. Weliswaar heeft eiseres de 'vragenlijst visumaanvraag' niet ingevuld en ook niet op een andere manier de benodigde documenten overgelegd, maar gelet op de bezwaren van eiseres tegen de afwijzing, de principiële bezwaren tegen het invullen van de vragenlijst, de stelling dat eiseres wel degelijk met stukken heeft aangetoond dat zij aan de voorwaarden voldoet en het contact tussen eiseres en verweerder over de vragenlijst, waarbij eiseres steeds heeft toegelicht waarom zij de vragenlijst niet kon invullen, lag het op de weg van verweerder om bij eiseres opheldering te krijgen over haar bezwaren en standpunten. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt namelijk onder meer dat de communicatie in de bezwaarfase tussen eiseres en verweerder en de aard van de informatie die eiseres nog had moeten overleggen omstandigheden zijn die verweerder had moeten meewegen bij de vraag of er al dan niet van het horen kan worden afgezien.
7.4.
Het niet horen terwijl er bij verweerder nog diverse vragen leefden over de sociale en economische binding met Iran en de door eiseres overgelegde documenten levert een zorgvuldigheidsgebrek op dat hersteld moet worden. Dat kan door eiseres alsnog te horen. De hoorzitting biedt gelegenheid om onder meer te bespreken welke bewijsstukken door eiseres aangeleverd kunnen worden om aan te tonen dat zij voldoende sociale en economische binding heeft met Iran en voor het verstrijken van de visumperiode terug zal keren naar Iran.
7.5.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot het vestigingsgevaar geen bespreking meer. Ten aanzien van het verzoek van verweerder om de 'vragenlijst visumaanvraag' in te vullen en de principiële bezwaren daartegen van eiseres, overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt. Verweerder heeft twee keer per brief aan eiseres toegelicht dat het invullen van de vragenlijst niet verplicht is maar dat de gegevens die via de vragenlijst worden verstrekt wel noodzakelijk zijn om het bezwaar zorgvuldig te beoordelen. De rechtbank overweegt dat eiseres bezwaar mag hebben tegen het invullen van de vragenlijst omdat daardoor – naar de rechtbank begrijpt – gegevens van derden moeten worden verstrekt. Echter, niet is gebleken dat eiseres niet ook op een andere manier de benodigde informatie had kunnen verstrekken nu het invullen van de vragenlijst niet verplicht is gesteld door verweerder. De rechtbank kan eiseres daarom niet volgen in het standpunt dat verweerder haar niet mocht verzoeken om de vragenlijst in te vullen.
Moet de staatssecretaris een dwangsom betalen?
8. Eiseres voert aan dat zij op 29 maart 2024 verweerder in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat er sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor tien weken omdat er eerst een hoorzitting moet plaatsvinden. De rechtbank zal de overige beroepsgronden niet bespreken, nu verweerder eerst wordt opgedragen om eiser te horen en een nieuw besluit te nemen.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 augustus 2024;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 4:17, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
Zie het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862 (Koushkaki).
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 en Werkinstructie 2022/20.