Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:11051
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
24,597 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 juni 2025 (bij vervroeging)
in de hoofdzaak met zaak- / rolnummer: C/09/670008 / HA ZA 24-619 van
[bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: ‘ [bedrijf] ’,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens.
en in de vrijwaringszaak met zaak- / rolnummer C/09/679961 / HA ZA 25-144 van
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
eisers,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens,
tegen
[de makelaar]
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de Makelaar,
gedaagde,
niet verschenen.
1Samenvatting
1.1.
[bedrijf] en de Leningnemer hebben, na bemiddeling van de Makelaar, een overeenkomst van geldlening gesloten. De Leningnemer had deze lening nodig voor de aankoop van een woning. [bedrijf] stelt dat de Leningnemer de lening nog niet heeft afgelost; de Leningnemer stelt dat de lening namens hem door de Makelaar is afgelost, zoals hij met de Makelaar had afgesproken.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de Leningnemer de geleende € 50.000 aan [bedrijf] moet terugbetalen, plus € 16.292,41 aan kredietvergoeding en de proceskosten. Als de Leningnemer dit bedrag niet binnen 14 dagen na dit vonnis terugbetaalt, moet hij ook de wettelijke rente over die bedragen betalen. De vraag tussen partijen is namelijk niet óf de Leningnemer de lening en vergoeding aan [bedrijf] moet (terug)betalen, maar of hij dit al heeft gedaan. De Leningnemer zegt dat de Makelaar dit namens hem heeft gedaan, maar hij heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niet concreet gemaakt wanneer en hoe de Makelaar dit dan heeft gedaan. Het door [bedrijf] gevorderde bedrag aan boete en de incassokosten wijst de rechtbank af omdat de Leningnemer niet op de juiste wijze in gebreke is gesteld.
In de vrijwaringszaak oordeelt de rechtbank dat de Makelaar de bedragen die de Leningnemer aan [bedrijf] moet betalen, aan de Leningnemer moet vergoeden.
Procesverloop
In de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 16 juli 2024, met producties 1 tot en met 6;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring, zonder producties;
het vonnis in incident van 13 november 2024, waarin een oproeping in vrijwaring is toegestaan;
de conclusie van antwoord van 8 januari 2025, met producties 1 en 2;
de rolbeslissing van 29 januari 2025, waarin de termijn voor dagvaarding in vrijwaring is verlengd.
In de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 februari 2025, met producties 1 tot en met 4;
het ter rolzitting van 12 februari 2025 tegen de Makelaar verleende verstek.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
2.3.
Bij tussenvonnis van 5 maart 2025 is een mondelinge behandeling bevolen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Daarbij zijn de vorderingen met partijen en hun advocaten besproken; [bedrijf] heeft spreekaantekeningen overgelegd die aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er ter zitting is besproken.
2.5.
Hoewel de Makelaar niet in het geding is verschenen (2.2) heeft hij zich – nadat de zitting al was begonnen en zonder bijstand van een advocaat – gemeld in de zittingszaal, met het verzoek zijn kant van het verhaal te mogen vertellen. De rechtbank heeft de zitting geschorst om partijen gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Na hervatting van de zitting hebben partijen geen bezwaren geuit tegen het verzoek van de Makelaar en het stellen van vragen aan de Makelaar (als informant) over het geschil in de hoofdzaak. De rechtbank heeft de Makelaar vervolgens voorgehouden dat:
i) zijn aanwezigheid tijdens de zitting het tegen hem verleende verstek in de vrijwaringszaak niet zuivert, omdat hij daarvoor tijdig bij advocaat had moeten verschijnen en griffierecht had moeten betalen;
ii) hij als toehoorder aanwezig kan zijn bij de (openbare) zitting en desgevraagd een toelichting kan geven, maar dat de rechtbank geen stukken van hem in ontvangst kan nemen, omdat hij niet in de procedure in vrijwaring is verschenen en;
iii) hem gewezen op de mogelijkheid van het instellen van verzet tegen het verstekvonnis in de vrijwaringszaak.
De Makelaar heeft bevestigd dat hij begreep in welke hoedanigheid hij de zitting kon bijwonen en heeft herhaald dat hij een en ander wilde toelichten.
2.6.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[bedrijf] is een beleggingsmaatschappij. In 2021 was de heer [naam] de bestuurder van [bedrijf] ; hij had een goede relatie met de Makelaar, met wie [bedrijf] destijds verschillende zaken deed.
3.2.
Op 8 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 20.000 overgemaakt aan (notaris) mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “Aanbet. / verstrekking Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.3.
Op 18 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 30.000 overgemaakt aan mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “1e Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.4.
Op 25 november 2021 is tussen [bedrijf] en de Leningnemer een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen die luidt als volgt:
GELDLENING
De ondergetekenden:
[gedaagden]
hierna zowel tezamen als afzonderlijk te noemen: schuldenaar;
(…) [de bestuurder], (…);
[bedrijf] B.V., hierna ook genoemd: geldgever;
De ondergetekenden verklaren als volgt:
Ter beschikking stellen van gelden
Schuldeiser heeft op 25 november 2021 ten titel van geldlening aan de schuldenaar ter beschikking gesteld een bedrag groot vijftigduizend euro (€ 50.000,00), hierna te noemen ‘de hoofdsom’.
De schuldenaar verklaart dit bedrag per die datum te hebben ontvangen.
Het ter beschikking gestelde bedrag, via de derdengeldrekening van [notaris], notaris te Den Haag, is door de schuldenaar gebruikt voor de betaling van de waarborgsom van het navolgende registergoed:
(…)
Voorwaarden geldlening
Met betrekking tot de vorenbedoeld geldlening zijn partijen de navolgende bepalingen en bedingen overeengekomen:
1. Looptijd
De geldlening is – tenzij deze wordt verlengd – verstrekt voor een tijdsduur van één jaar, die eindigt op 25 november 2022.
2. Rente
Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar tien procent (10%) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijn bij achterafbetaling, voor het eerst op 1 maart 2022, over het sedert heden verstreken tijdvak.
Het hiervoor genoemde rentepercentage is vastgesteld voor een periode van één (1) jaar. De rente kan daarna door partijen steeds in onderling overleg gewijzigd worden vastgesteld. Komen zij geen ander percentage overeen, geldt het onderhavige. Bij deze berekening van de rente wordt een maand op dertig (30) dagen gesteld en een jaar op driehonderdzestig (360) dagen.
3. Aflossing
Op de hoofdsom behoeft niet periodiek te worden afgelost.
(…). Algehele aflossing van de (restant-)hoofdsom dient uiterlijk plaats te hebben op één november tweeduizendtweeëntwintig. (…).
Boete bij niet tijdige aflossing 10% van de hoofdsom.
Bij niet betalen van de rente wordt per maand per keer € 150 verschuldigd.
4. Opeisbaarheid
De hoofdsom is onmiddellijk opeisbaar in de volgende gevallen:
- bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht (8) dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen;
- (…);
- bij beslag op een goed van de schuldenaar, bij faillissement of surséance van de schuldenaar of aanvrage daartoe, en in alle andere gevallen waarin hij het vrije beheer over een of meer van zijn goederen verliest, alsmede bij zijn overlijden;
- (…).
(…).
Man en vrouw schuldenaren zijn beide ieder hoofdelijk en geheel ondeelbaar aansprakelijk voor alle verplichtingen.
3.5.
De heer [naam] is eind 2022 overleden; als bestuurder van [bedrijf] is hij opgevolgd door zijn broer. In 2023 is er een tweede bestuurder bijgekomen.
3.6.
Op 19 juni 2024 heeft [bedrijf] de Leningnemer gesommeerd om binnen twee dagen een bedrag van € 76.534,09 aan [bedrijf] te betalen vanwege het uitblijven van tijdige (terug)betaling van de geldlening. Het bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 50.000, vermeerderd met een bedrag van € 15.939,09 uit hoofde van de in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst overeengekomen rente van 10% en een bedrag van € 10.595 uit hoofde van de boetebepaling van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst.
3.7.
Bij exploot van 20 juni 2024 heeft een deurwaarder de brief van 19 juni 2024 van [bedrijf] aan de Leningnemer betekend.
Geschil
In de hoofdzaak
4.1.
[bedrijf] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de Leningnemer veroordeelt tot betaling aan [bedrijf] van:
een bedrag van € 75.642,41, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 28 juni 2024;
een bedrag van € 1.531,42 aan buitengerechtelijke incassokosten althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
de beslag- en proceskosten inclusief nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis.
4.2.
[bedrijf] legt aan de vordering ten grondslag dat de Leningnemer in verzuim is met de nakoming van de op hem rustende hoofdelijke verplichtingen voortvloeiende uit de geldleningsovereenkomst (artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek, ‘BW’).
4.3.
De Leningnemer voert verweer en voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Hij betwist dat de lening niet is terugbetaald en stelt dat de Makelaar dit voor hem heeft gedaan.
In de vrijwaringszaak
4.4.
De Leningnemer vordert, samengevat, dat de Makelaar wordt veroordeeld om aan hem te betalen al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van de Makelaar in de kosten van de procedure.
4.5.
De Leningnemer legt aan de vordering ten grondslag dat zijn rechtsverhouding met de Makelaar met zich meebrengt dat de Makelaar gehouden is hem vrij te houden van alle nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. De Leningnemer heeft bij de aankoop van een woning gebruikgemaakt van de diensten van de Makelaar. Door een fout van de Makelaar heeft de Leningnemer een contractuele boete van € 50.000 verbeurd. Omdat de Leningnemer dit niet kon betalen, heeft de Makelaar voor hem geregeld dat hij geld kon lenen bij [bedrijf] . De Leningnemer en de Makelaar zijn overeengekomen dat de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar zou betalen, dat de Makelaar dit bedrag zou aanvullen met € 20.000 van zijn eigen geld en dan hij dan in één keer de lening van de Leningnemer bij [bedrijf] voor de Leningnemer zou aflossen. De afspraak tussen Leningnemer en de Makelaar blijkt uit een afschrift van de geldleningsovereenkomst, waaraan de Makelaar een alinea met deze afspraak heeft toegevoegd. Voor zover [bedrijf] onbetaald is gebleven, is het aan de Makelaar om [bedrijf] terug te betalen.
4.6.
De Makelaar is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. De Leningnemer erkent dat de sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2024 hem heeft bereikt en dat hij, hoewel hem door die brief duidelijk werd dat het door hem geleende geld volgens [bedrijf] nog niet was terugbetaald, geen gevolg heeft gegeven aan de sommatie of anderszins contact met haar heeft opgenomen. Bijna een maand later is de dagvaarding aan de Leningnemer uitgebracht.
De geldleningsovereenkomst
5.2.
Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [bedrijf] € 50.000 heeft geleend aan de Leningnemer en de Leningnemer zich (onder meer) hoofdelijk heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag met rente, uiterlijk op 1 november 2022.
5.3.
Partijen zijn het er niet over eens of de lening al is terugbetaald. Ook is in geschil of de Leningnemer zich met succes kan beroepen op een afspraak die hij buiten [bedrijf] om heeft gemaakt met de Makelaar, of dat de Leningnemer onverkort hoofdelijk aansprakelijk blijft. Ten aanzien van dit laatste stelt de rechtbank voorop dat een afspraak die de Leningnemer met de Makelaar heeft gemaakt in beginsel niet afdoet aan afspraken die de Leningnemer met [bedrijf] heeft gemaakt, omdat [bedrijf] niet met die afspraak heeft ingestemd.
5.4.
De Leningnemer ontkent niet dat hijzelf niets aan [bedrijf] heeft terugbetaald, maar stelt dat de Makelaar de lening voor hem heeft terugbetaald. [bedrijf] betwist dit.
5.5.
Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de Leningnemer stellen en bewijzen dat namens hem aan [bedrijf] is betaald. Dat hiervan sprake is, heeft de Leningnemer echter onvoldoende concreet gemaakt.
Er zijn geen stukken waaruit van enige terugbetaling aan [bedrijf] blijkt, en de Leningnemer heeft niet meer naar voren gebracht dan dat de Makelaar hem heeft verteld dat hij de lening voor hem heeft terugbetaald en “dat hij zich niet kan voorstellen dat de Makelaar dit niet heeft gedaan”. De Makelaar heeft ter zitting bevestigd dat hij de lening voor de Leningnemer aan [bedrijf] zou terugbetalen en heeft verteld dat hij dit contant heeft gedaan. Wanneer en hoe precies hij dit zou hebben gedaan, is ook na vragen van de rechtbank onduidelijk gebleven.
De rechtbank verwacht ook bij stellingen over contante betalingen dat deze concreet worden gemaakt door een beschrijving van het moment waarop en de omstandigheden waaronder die betalingen zijn gedaan, en door overlegging van bijvoorbeeld pinbewijzen, kwitanties, foto’s en/of app-berichten. De Leningnemer heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niets van dit alles gedaan; daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.
5.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door [bedrijf] gevorderde terugbetaling van de hoofdsom van € 50.000 met rente zal toewijzen, met inachtneming van het hierna volgende.
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
5.7.
De rechtbank heeft [bedrijf] voorgehouden dat de Leningnemer een consument is, althans dat hij wordt vermoed een consument te zijn zoals bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het daarmee de vraag is of de geldleningsovereenkomst onder het bereik valt van Titel 2A van Boek 7 BW.
5.8.
[bedrijf] heeft dit bestreden. De geldleningsovereenkomst is volgens haar geen consumentenkredietovereenkomst, omdat de Leningnemer de lening is aangegaan vanwege de aanschaf van een onroerende zaak die zou dienen als belegging. De Leningnemer heeft erop gewezen dat hij de onroerende zaak gebruikt als woning.
5.9.
[bedrijf] heeft een geldleningsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd uit hoofde waarvan zij als professionele partij een bedrag van € 50.000 heeft geleend aan Leningnemer, een natuurlijk persoon althans een consument zoals bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder a BW. In de geldleningsovereenkomst staat dat de lening is bedoeld ter voldoening van een waarborgsom in verband met de aankoop van een onroerende zaak. Uit de twee betalingen van [bedrijf] aan het notariskantoor blijkt dat het bedrag ook als zodanig is aangewend (3.2 en 3.3). De lening wordt niet gewaarborgd door een hypotheek. Artikel 7:58 lid 2 onder a BW is daarom in deze zaak niet van toepassing.
Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder b BW zijn ook kredieten ter verkrijging of behoud van grond of een woning uitgezonderd van de werking van Titel 2A van Boek 7 BW. Uit de parlementaire toelichting op deze bepaling blijkt dat de wetgever daarbij dacht aan met de financiering van onroerend goed gemoeide kredieten waarvoor al andere beschermende eisen gelden, zoals de tussenkomst van een notaris (Kamerstukken II 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 13). Van een type krediet waarvoor zulke beschermende eisen gelden, is hier geen sprake.
Dit betekent dat de geldleningsovereenkomst is aan te merken als een consumentenkrediet-overeenkomst als bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder c BW. Artikel 7:73 BW bepaalt dat van Titel 2A niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken.
5.10.
Uit artikel 7:60 lid 1 en lid 3 BW volgt dat de kredietgever ( [bedrijf] ) of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar een oneerlijke handelspraktijk verricht zoals bedoeld in artikel 6:193b lid 1 BW, indien hij de consument (de Leningnemer) niet geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of aanbod wordt gebonden, precontractuele informatie verstrekt die voldoet aan artikel 5 van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Deze precontractuele informatieplicht heeft tot doel de consument goed te informeren en hem in de gelegenheid te stellen een weloverwogen beslissing te nemen.
5.11.
De rechtbank is van oordeel – alles overwegende en in samenhang bezien – dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een oneerlijke en dus verboden handelspraktijk van [bedrijf] , omdat niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 6:193b lid 2 BW. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
5.11.1.
[bedrijf] heeft op 8 november 2021 een bedrag van € 20.000 en op 18 november 2021 een bedrag van € 30.000 aan de notaris overgemaakt, ten behoeve van de Leningnemer. Pas daarna – op 25 november 2021 – heeft de Leningnemer de geldleningsovereenkomst getekend. Of partijen de voorwaarden althans de inhoud van de geldleningsovereenkomst met elkaar hebben besproken en zo ja, wanneer, is niet gesteld of gebleken.
5.11.2.
De Leningnemer heeft tijdens de zitting wel verteld dat hij een woning wilde kopen en dat het niet was gelukt om de daarvoor nodige bankgarantie tijdig te regelen. Hij had een boete verbeurd en de verkoper van de woning wilde geen nader uitstel meer verlenen. De Leningnemer had dus dringend geld nodig; geld dat hij niet had en dat de bank hem niet wilde lenen. De Makelaar zei dat hij dit wel voor hem kon regelen bij (de toenmalige bestuurder van) [bedrijf] , met wie de Makelaar een goede band had. Zo kon de aankoop van de woning toch doorgaan. De Leningnemer was niet aanwezig bij het gesprek tussen de Makelaar en (de bestuurder van) [bedrijf] .
5.11.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Leningnemer door [bedrijf] kan worden aangesproken op terugbetaling van de lening. Dat de Leningnemer zich dit ook steeds heeft gerealiseerd, blijkt uit zijn verklaring ter zitting. Die komt erop neer dat hij er niet helemaal op vertrouwde dat de Makelaar de lening in november 2022 echt aan [bedrijf] had terugbetaald: hij vertelde dat hij pas “begon te relaxen” toen hij een jaar later nog niet over de lening was aangeschreven.
Beoordeling
6.1.
De Makelaar is niet in het geding verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
6.2.
De rechtbank zal de vordering in vrijwaring toewijzen omdat deze haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, en wel op grond van het volgende.
6.2.1.
De Leningnemer heeft een exemplaar van zijn geldleningsovereenkomst met [bedrijf] overgelegd, waarin onderaan de overeenkomst een alinea is toegevoegd die luidt als volgt:
“Bovengenoemde lening heeft de partijen op 25-11-2021 overeen gekomen en door alle partijen getekend tot op heden is nog niet betaald als vandaag schuldenaren een bedrag van €30.000 over maken naar het volgende rekeningnummer
Ten name van [de Makelaar] rekeningnummer (…) betalen dan vervalt alle verplichtingen van schuldenaren daarmee vervalt geldlening die op 25-11-2021 getekend is door partijen.
Hierbij staat [de Makelaar] garant voor het kwijting.
(…).
Aldus opgemaakt en getekend op 26-01 2023.”
6.2.2.
De Makelaar heeft de geldleningsovereenkomst met de hiervoor geciteerde alinea ondertekend. Als niet weersproken volgt hieruit dat de Makelaar in zijn verhouding tot Leningnemer gehouden is om dat wat de Leningnemer heeft geleend van [bedrijf] , te vermeerderen met rente en kosten terug te betalen aan [bedrijf] , als de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar betaalt.
6.2.3.
De Leningnemer heeft een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat hij op 26 januari 2023 een bedrag van € 30.000 aan de Makelaar heeft overgemaakt.
6.2.4.
De rechtbank weegt verder mee dat de Makelaar de door Leningnemer gestelde afspraken tijdens de mondelinge behandeling als informant heeft bevestigd.
Proceskosten
6.3.
De Makelaar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Leningnemer worden begroot op € 614 aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief II à € 614) en € 145,45 voor het laten uitbrengen van de dagvaarding, dus € 759,45 in totaal.
Dictum
De rechtbank:
in de hoofdzaak
7.1.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 66.292,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.2.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [bedrijf] tot op heden begroot op een bedrag van € 7.735,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de vrijwaringszaak:
7.5.
veroordeelt de Makelaar om aan de Leningnemer te betalen al dat waartoe de Leningnemer in de hoofdzaak jegens [bedrijf] is veroordeeld en zal hebben voldaan, waaronder de proceskosten,
7.6.
veroordeelt de Makelaar in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Leningnemer begroot op een bedrag van € 759,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Type: 2513
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 juni 2025 (bij vervroeging)
in de hoofdzaak met zaak- / rolnummer: C/09/670008 / HA ZA 24-619 van
[bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: ‘ [bedrijf] ’,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens.
en in de vrijwaringszaak met zaak- / rolnummer C/09/679961 / HA ZA 25-144 van
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
eisers,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens,
tegen
[de makelaar]
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de Makelaar,
gedaagde,
niet verschenen.
1Samenvatting
1.1.
[bedrijf] en de Leningnemer hebben, na bemiddeling van de Makelaar, een overeenkomst van geldlening gesloten. De Leningnemer had deze lening nodig voor de aankoop van een woning. [bedrijf] stelt dat de Leningnemer de lening nog niet heeft afgelost; de Leningnemer stelt dat de lening namens hem door de Makelaar is afgelost, zoals hij met de Makelaar had afgesproken.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de Leningnemer de geleende € 50.000 aan [bedrijf] moet terugbetalen, plus € 16.292,41 aan kredietvergoeding en de proceskosten. Als de Leningnemer dit bedrag niet binnen 14 dagen na dit vonnis terugbetaalt, moet hij ook de wettelijke rente over die bedragen betalen. De vraag tussen partijen is namelijk niet óf de Leningnemer de lening en vergoeding aan [bedrijf] moet (terug)betalen, maar of hij dit al heeft gedaan. De Leningnemer zegt dat de Makelaar dit namens hem heeft gedaan, maar hij heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niet concreet gemaakt wanneer en hoe de Makelaar dit dan heeft gedaan. Het door [bedrijf] gevorderde bedrag aan boete en de incassokosten wijst de rechtbank af omdat de Leningnemer niet op de juiste wijze in gebreke is gesteld.
In de vrijwaringszaak oordeelt de rechtbank dat de Makelaar de bedragen die de Leningnemer aan [bedrijf] moet betalen, aan de Leningnemer moet vergoeden.
Procesverloop
In de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 16 juli 2024, met producties 1 tot en met 6;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring, zonder producties;
het vonnis in incident van 13 november 2024, waarin een oproeping in vrijwaring is toegestaan;
de conclusie van antwoord van 8 januari 2025, met producties 1 en 2;
de rolbeslissing van 29 januari 2025, waarin de termijn voor dagvaarding in vrijwaring is verlengd.
In de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 februari 2025, met producties 1 tot en met 4;
het ter rolzitting van 12 februari 2025 tegen de Makelaar verleende verstek.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
2.3.
Bij tussenvonnis van 5 maart 2025 is een mondelinge behandeling bevolen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Daarbij zijn de vorderingen met partijen en hun advocaten besproken; [bedrijf] heeft spreekaantekeningen overgelegd die aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er ter zitting is besproken.
2.5.
Hoewel de Makelaar niet in het geding is verschenen (2.2) heeft hij zich – nadat de zitting al was begonnen en zonder bijstand van een advocaat – gemeld in de zittingszaal, met het verzoek zijn kant van het verhaal te mogen vertellen. De rechtbank heeft de zitting geschorst om partijen gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Na hervatting van de zitting hebben partijen geen bezwaren geuit tegen het verzoek van de Makelaar en het stellen van vragen aan de Makelaar (als informant) over het geschil in de hoofdzaak. De rechtbank heeft de Makelaar vervolgens voorgehouden dat:
i) zijn aanwezigheid tijdens de zitting het tegen hem verleende verstek in de vrijwaringszaak niet zuivert, omdat hij daarvoor tijdig bij advocaat had moeten verschijnen en griffierecht had moeten betalen;
ii) hij als toehoorder aanwezig kan zijn bij de (openbare) zitting en desgevraagd een toelichting kan geven, maar dat de rechtbank geen stukken van hem in ontvangst kan nemen, omdat hij niet in de procedure in vrijwaring is verschenen en;
iii) hem gewezen op de mogelijkheid van het instellen van verzet tegen het verstekvonnis in de vrijwaringszaak.
De Makelaar heeft bevestigd dat hij begreep in welke hoedanigheid hij de zitting kon bijwonen en heeft herhaald dat hij een en ander wilde toelichten.
2.6.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[bedrijf] is een beleggingsmaatschappij. In 2021 was de heer [naam] de bestuurder van [bedrijf] ; hij had een goede relatie met de Makelaar, met wie [bedrijf] destijds verschillende zaken deed.
3.2.
Op 8 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 20.000 overgemaakt aan (notaris) mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “Aanbet. / verstrekking Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.3.
Op 18 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 30.000 overgemaakt aan mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “1e Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.4.
Op 25 november 2021 is tussen [bedrijf] en de Leningnemer een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen die luidt als volgt:
GELDLENING
De ondergetekenden:
[gedaagden]
hierna zowel tezamen als afzonderlijk te noemen: schuldenaar;
(…) [de bestuurder], (…);
[bedrijf] B.V., hierna ook genoemd: geldgever;
De ondergetekenden verklaren als volgt:
Ter beschikking stellen van gelden
Schuldeiser heeft op 25 november 2021 ten titel van geldlening aan de schuldenaar ter beschikking gesteld een bedrag groot vijftigduizend euro (€ 50.000,00), hierna te noemen ‘de hoofdsom’.
De schuldenaar verklaart dit bedrag per die datum te hebben ontvangen.
Het ter beschikking gestelde bedrag, via de derdengeldrekening van [notaris], notaris te Den Haag, is door de schuldenaar gebruikt voor de betaling van de waarborgsom van het navolgende registergoed:
(…)
Voorwaarden geldlening
Met betrekking tot de vorenbedoeld geldlening zijn partijen de navolgende bepalingen en bedingen overeengekomen:
1. Looptijd
De geldlening is – tenzij deze wordt verlengd – verstrekt voor een tijdsduur van één jaar, die eindigt op 25 november 2022.
2. Rente
Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar tien procent (10%) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijn bij achterafbetaling, voor het eerst op 1 maart 2022, over het sedert heden verstreken tijdvak.
Het hiervoor genoemde rentepercentage is vastgesteld voor een periode van één (1) jaar. De rente kan daarna door partijen steeds in onderling overleg gewijzigd worden vastgesteld. Komen zij geen ander percentage overeen, geldt het onderhavige. Bij deze berekening van de rente wordt een maand op dertig (30) dagen gesteld en een jaar op driehonderdzestig (360) dagen.
3. Aflossing
Op de hoofdsom behoeft niet periodiek te worden afgelost.
(…). Algehele aflossing van de (restant-)hoofdsom dient uiterlijk plaats te hebben op één november tweeduizendtweeëntwintig. (…).
Boete bij niet tijdige aflossing 10% van de hoofdsom.
Bij niet betalen van de rente wordt per maand per keer € 150 verschuldigd.
4. Opeisbaarheid
De hoofdsom is onmiddellijk opeisbaar in de volgende gevallen:
- bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht (8) dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen;
- (…);
- bij beslag op een goed van de schuldenaar, bij faillissement of surséance van de schuldenaar of aanvrage daartoe, en in alle andere gevallen waarin hij het vrije beheer over een of meer van zijn goederen verliest, alsmede bij zijn overlijden;
- (…).
(…).
Man en vrouw schuldenaren zijn beide ieder hoofdelijk en geheel ondeelbaar aansprakelijk voor alle verplichtingen.
3.5.
De heer [naam] is eind 2022 overleden; als bestuurder van [bedrijf] is hij opgevolgd door zijn broer. In 2023 is er een tweede bestuurder bijgekomen.
3.6.
Op 19 juni 2024 heeft [bedrijf] de Leningnemer gesommeerd om binnen twee dagen een bedrag van € 76.534,09 aan [bedrijf] te betalen vanwege het uitblijven van tijdige (terug)betaling van de geldlening. Het bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 50.000, vermeerderd met een bedrag van € 15.939,09 uit hoofde van de in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst overeengekomen rente van 10% en een bedrag van € 10.595 uit hoofde van de boetebepaling van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst.
3.7.
Bij exploot van 20 juni 2024 heeft een deurwaarder de brief van 19 juni 2024 van [bedrijf] aan de Leningnemer betekend.
Geschil
In de hoofdzaak
4.1.
[bedrijf] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de Leningnemer veroordeelt tot betaling aan [bedrijf] van:
een bedrag van € 75.642,41, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 28 juni 2024;
een bedrag van € 1.531,42 aan buitengerechtelijke incassokosten althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
de beslag- en proceskosten inclusief nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis.
4.2.
[bedrijf] legt aan de vordering ten grondslag dat de Leningnemer in verzuim is met de nakoming van de op hem rustende hoofdelijke verplichtingen voortvloeiende uit de geldleningsovereenkomst (artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek, ‘BW’).
4.3.
De Leningnemer voert verweer en voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Hij betwist dat de lening niet is terugbetaald en stelt dat de Makelaar dit voor hem heeft gedaan.
In de vrijwaringszaak
4.4.
De Leningnemer vordert, samengevat, dat de Makelaar wordt veroordeeld om aan hem te betalen al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van de Makelaar in de kosten van de procedure.
4.5.
De Leningnemer legt aan de vordering ten grondslag dat zijn rechtsverhouding met de Makelaar met zich meebrengt dat de Makelaar gehouden is hem vrij te houden van alle nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. De Leningnemer heeft bij de aankoop van een woning gebruikgemaakt van de diensten van de Makelaar. Door een fout van de Makelaar heeft de Leningnemer een contractuele boete van € 50.000 verbeurd. Omdat de Leningnemer dit niet kon betalen, heeft de Makelaar voor hem geregeld dat hij geld kon lenen bij [bedrijf] . De Leningnemer en de Makelaar zijn overeengekomen dat de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar zou betalen, dat de Makelaar dit bedrag zou aanvullen met € 20.000 van zijn eigen geld en dan hij dan in één keer de lening van de Leningnemer bij [bedrijf] voor de Leningnemer zou aflossen. De afspraak tussen Leningnemer en de Makelaar blijkt uit een afschrift van de geldleningsovereenkomst, waaraan de Makelaar een alinea met deze afspraak heeft toegevoegd. Voor zover [bedrijf] onbetaald is gebleven, is het aan de Makelaar om [bedrijf] terug te betalen.
4.6.
De Makelaar is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. De Leningnemer erkent dat de sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2024 hem heeft bereikt en dat hij, hoewel hem door die brief duidelijk werd dat het door hem geleende geld volgens [bedrijf] nog niet was terugbetaald, geen gevolg heeft gegeven aan de sommatie of anderszins contact met haar heeft opgenomen. Bijna een maand later is de dagvaarding aan de Leningnemer uitgebracht.
De geldleningsovereenkomst
5.2.
Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [bedrijf] € 50.000 heeft geleend aan de Leningnemer en de Leningnemer zich (onder meer) hoofdelijk heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag met rente, uiterlijk op 1 november 2022.
5.3.
Partijen zijn het er niet over eens of de lening al is terugbetaald. Ook is in geschil of de Leningnemer zich met succes kan beroepen op een afspraak die hij buiten [bedrijf] om heeft gemaakt met de Makelaar, of dat de Leningnemer onverkort hoofdelijk aansprakelijk blijft. Ten aanzien van dit laatste stelt de rechtbank voorop dat een afspraak die de Leningnemer met de Makelaar heeft gemaakt in beginsel niet afdoet aan afspraken die de Leningnemer met [bedrijf] heeft gemaakt, omdat [bedrijf] niet met die afspraak heeft ingestemd.
5.4.
De Leningnemer ontkent niet dat hijzelf niets aan [bedrijf] heeft terugbetaald, maar stelt dat de Makelaar de lening voor hem heeft terugbetaald. [bedrijf] betwist dit.
5.5.
Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de Leningnemer stellen en bewijzen dat namens hem aan [bedrijf] is betaald. Dat hiervan sprake is, heeft de Leningnemer echter onvoldoende concreet gemaakt.
Er zijn geen stukken waaruit van enige terugbetaling aan [bedrijf] blijkt, en de Leningnemer heeft niet meer naar voren gebracht dan dat de Makelaar hem heeft verteld dat hij de lening voor hem heeft terugbetaald en “dat hij zich niet kan voorstellen dat de Makelaar dit niet heeft gedaan”. De Makelaar heeft ter zitting bevestigd dat hij de lening voor de Leningnemer aan [bedrijf] zou terugbetalen en heeft verteld dat hij dit contant heeft gedaan. Wanneer en hoe precies hij dit zou hebben gedaan, is ook na vragen van de rechtbank onduidelijk gebleven.
De rechtbank verwacht ook bij stellingen over contante betalingen dat deze concreet worden gemaakt door een beschrijving van het moment waarop en de omstandigheden waaronder die betalingen zijn gedaan, en door overlegging van bijvoorbeeld pinbewijzen, kwitanties, foto’s en/of app-berichten. De Leningnemer heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niets van dit alles gedaan; daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.
5.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door [bedrijf] gevorderde terugbetaling van de hoofdsom van € 50.000 met rente zal toewijzen, met inachtneming van het hierna volgende.
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
5.7.
De rechtbank heeft [bedrijf] voorgehouden dat de Leningnemer een consument is, althans dat hij wordt vermoed een consument te zijn zoals bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het daarmee de vraag is of de geldleningsovereenkomst onder het bereik valt van Titel 2A van Boek 7 BW.
5.8.
[bedrijf] heeft dit bestreden. De geldleningsovereenkomst is volgens haar geen consumentenkredietovereenkomst, omdat de Leningnemer de lening is aangegaan vanwege de aanschaf van een onroerende zaak die zou dienen als belegging. De Leningnemer heeft erop gewezen dat hij de onroerende zaak gebruikt als woning.
5.9.
[bedrijf] heeft een geldleningsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd uit hoofde waarvan zij als professionele partij een bedrag van € 50.000 heeft geleend aan Leningnemer, een natuurlijk persoon althans een consument zoals bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder a BW. In de geldleningsovereenkomst staat dat de lening is bedoeld ter voldoening van een waarborgsom in verband met de aankoop van een onroerende zaak. Uit de twee betalingen van [bedrijf] aan het notariskantoor blijkt dat het bedrag ook als zodanig is aangewend (3.2 en 3.3). De lening wordt niet gewaarborgd door een hypotheek. Artikel 7:58 lid 2 onder a BW is daarom in deze zaak niet van toepassing.
Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder b BW zijn ook kredieten ter verkrijging of behoud van grond of een woning uitgezonderd van de werking van Titel 2A van Boek 7 BW. Uit de parlementaire toelichting op deze bepaling blijkt dat de wetgever daarbij dacht aan met de financiering van onroerend goed gemoeide kredieten waarvoor al andere beschermende eisen gelden, zoals de tussenkomst van een notaris (Kamerstukken II 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 13). Van een type krediet waarvoor zulke beschermende eisen gelden, is hier geen sprake.
Dit betekent dat de geldleningsovereenkomst is aan te merken als een consumentenkrediet-overeenkomst als bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder c BW. Artikel 7:73 BW bepaalt dat van Titel 2A niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken.
5.10.
Uit artikel 7:60 lid 1 en lid 3 BW volgt dat de kredietgever ( [bedrijf] ) of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar een oneerlijke handelspraktijk verricht zoals bedoeld in artikel 6:193b lid 1 BW, indien hij de consument (de Leningnemer) niet geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of aanbod wordt gebonden, precontractuele informatie verstrekt die voldoet aan artikel 5 van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Deze precontractuele informatieplicht heeft tot doel de consument goed te informeren en hem in de gelegenheid te stellen een weloverwogen beslissing te nemen.
5.11.
De rechtbank is van oordeel – alles overwegende en in samenhang bezien – dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een oneerlijke en dus verboden handelspraktijk van [bedrijf] , omdat niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 6:193b lid 2 BW. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
5.11.1.
[bedrijf] heeft op 8 november 2021 een bedrag van € 20.000 en op 18 november 2021 een bedrag van € 30.000 aan de notaris overgemaakt, ten behoeve van de Leningnemer. Pas daarna – op 25 november 2021 – heeft de Leningnemer de geldleningsovereenkomst getekend. Of partijen de voorwaarden althans de inhoud van de geldleningsovereenkomst met elkaar hebben besproken en zo ja, wanneer, is niet gesteld of gebleken.
5.11.2.
De Leningnemer heeft tijdens de zitting wel verteld dat hij een woning wilde kopen en dat het niet was gelukt om de daarvoor nodige bankgarantie tijdig te regelen. Hij had een boete verbeurd en de verkoper van de woning wilde geen nader uitstel meer verlenen. De Leningnemer had dus dringend geld nodig; geld dat hij niet had en dat de bank hem niet wilde lenen. De Makelaar zei dat hij dit wel voor hem kon regelen bij (de toenmalige bestuurder van) [bedrijf] , met wie de Makelaar een goede band had. Zo kon de aankoop van de woning toch doorgaan. De Leningnemer was niet aanwezig bij het gesprek tussen de Makelaar en (de bestuurder van) [bedrijf] .
5.11.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Leningnemer door [bedrijf] kan worden aangesproken op terugbetaling van de lening. Dat de Leningnemer zich dit ook steeds heeft gerealiseerd, blijkt uit zijn verklaring ter zitting. Die komt erop neer dat hij er niet helemaal op vertrouwde dat de Makelaar de lening in november 2022 echt aan [bedrijf] had terugbetaald: hij vertelde dat hij pas “begon te relaxen” toen hij een jaar later nog niet over de lening was aangeschreven.
Beoordeling
6.1.
De Makelaar is niet in het geding verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
6.2.
De rechtbank zal de vordering in vrijwaring toewijzen omdat deze haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, en wel op grond van het volgende.
6.2.1.
De Leningnemer heeft een exemplaar van zijn geldleningsovereenkomst met [bedrijf] overgelegd, waarin onderaan de overeenkomst een alinea is toegevoegd die luidt als volgt:
“Bovengenoemde lening heeft de partijen op 25-11-2021 overeen gekomen en door alle partijen getekend tot op heden is nog niet betaald als vandaag schuldenaren een bedrag van €30.000 over maken naar het volgende rekeningnummer
Ten name van [de Makelaar] rekeningnummer (…) betalen dan vervalt alle verplichtingen van schuldenaren daarmee vervalt geldlening die op 25-11-2021 getekend is door partijen.
Hierbij staat [de Makelaar] garant voor het kwijting.
(…).
Aldus opgemaakt en getekend op 26-01 2023.”
6.2.2.
De Makelaar heeft de geldleningsovereenkomst met de hiervoor geciteerde alinea ondertekend. Als niet weersproken volgt hieruit dat de Makelaar in zijn verhouding tot Leningnemer gehouden is om dat wat de Leningnemer heeft geleend van [bedrijf] , te vermeerderen met rente en kosten terug te betalen aan [bedrijf] , als de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar betaalt.
6.2.3.
De Leningnemer heeft een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat hij op 26 januari 2023 een bedrag van € 30.000 aan de Makelaar heeft overgemaakt.
6.2.4.
De rechtbank weegt verder mee dat de Makelaar de door Leningnemer gestelde afspraken tijdens de mondelinge behandeling als informant heeft bevestigd.
Proceskosten
6.3.
De Makelaar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Leningnemer worden begroot op € 614 aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief II à € 614) en € 145,45 voor het laten uitbrengen van de dagvaarding, dus € 759,45 in totaal.
Dictum
De rechtbank:
in de hoofdzaak
7.1.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 66.292,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.2.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [bedrijf] tot op heden begroot op een bedrag van € 7.735,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de vrijwaringszaak:
7.5.
veroordeelt de Makelaar om aan de Leningnemer te betalen al dat waartoe de Leningnemer in de hoofdzaak jegens [bedrijf] is veroordeeld en zal hebben voldaan, waaronder de proceskosten,
7.6.
veroordeelt de Makelaar in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Leningnemer begroot op een bedrag van € 759,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Type: 2513
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 juni 2025 (bij vervroeging)
in de hoofdzaak met zaak- / rolnummer: C/09/670008 / HA ZA 24-619 van
[bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: ‘ [bedrijf] ’,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
gedaagden,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens.
en in de vrijwaringszaak met zaak- / rolnummer C/09/679961 / HA ZA 25-144 van
1 [leningnemer 1] te [woonplaats] ,2. [leningnemer 2] te [woonplaats] ,
eisers,
hierna samen te noemen: de Leningnemer,
advocaat: mr. M.F.J. Martens,
tegen
[de makelaar]
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna te noemen: de Makelaar,
gedaagde,
niet verschenen.
1Samenvatting
1.1.
[bedrijf] en de Leningnemer hebben, na bemiddeling van de Makelaar, een overeenkomst van geldlening gesloten. De Leningnemer had deze lening nodig voor de aankoop van een woning. [bedrijf] stelt dat de Leningnemer de lening nog niet heeft afgelost; de Leningnemer stelt dat de lening namens hem door de Makelaar is afgelost, zoals hij met de Makelaar had afgesproken.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de Leningnemer de geleende € 50.000 aan [bedrijf] moet terugbetalen, plus € 16.292,41 aan kredietvergoeding en de proceskosten. Als de Leningnemer dit bedrag niet binnen 14 dagen na dit vonnis terugbetaalt, moet hij ook de wettelijke rente over die bedragen betalen. De vraag tussen partijen is namelijk niet óf de Leningnemer de lening en vergoeding aan [bedrijf] moet (terug)betalen, maar of hij dit al heeft gedaan. De Leningnemer zegt dat de Makelaar dit namens hem heeft gedaan, maar hij heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niet concreet gemaakt wanneer en hoe de Makelaar dit dan heeft gedaan. Het door [bedrijf] gevorderde bedrag aan boete en de incassokosten wijst de rechtbank af omdat de Leningnemer niet op de juiste wijze in gebreke is gesteld.
In de vrijwaringszaak oordeelt de rechtbank dat de Makelaar de bedragen die de Leningnemer aan [bedrijf] moet betalen, aan de Leningnemer moet vergoeden.
Procesverloop
In de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 16 juli 2024, met producties 1 tot en met 6;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring, zonder producties;
het vonnis in incident van 13 november 2024, waarin een oproeping in vrijwaring is toegestaan;
de conclusie van antwoord van 8 januari 2025, met producties 1 en 2;
de rolbeslissing van 29 januari 2025, waarin de termijn voor dagvaarding in vrijwaring is verlengd.
In de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 februari 2025, met producties 1 tot en met 4;
het ter rolzitting van 12 februari 2025 tegen de Makelaar verleende verstek.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
2.3.
Bij tussenvonnis van 5 maart 2025 is een mondelinge behandeling bevolen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Daarbij zijn de vorderingen met partijen en hun advocaten besproken; [bedrijf] heeft spreekaantekeningen overgelegd die aan het procesdossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er ter zitting is besproken.
2.5.
Hoewel de Makelaar niet in het geding is verschenen (2.2) heeft hij zich – nadat de zitting al was begonnen en zonder bijstand van een advocaat – gemeld in de zittingszaal, met het verzoek zijn kant van het verhaal te mogen vertellen. De rechtbank heeft de zitting geschorst om partijen gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Na hervatting van de zitting hebben partijen geen bezwaren geuit tegen het verzoek van de Makelaar en het stellen van vragen aan de Makelaar (als informant) over het geschil in de hoofdzaak. De rechtbank heeft de Makelaar vervolgens voorgehouden dat:
i) zijn aanwezigheid tijdens de zitting het tegen hem verleende verstek in de vrijwaringszaak niet zuivert, omdat hij daarvoor tijdig bij advocaat had moeten verschijnen en griffierecht had moeten betalen;
ii) hij als toehoorder aanwezig kan zijn bij de (openbare) zitting en desgevraagd een toelichting kan geven, maar dat de rechtbank geen stukken van hem in ontvangst kan nemen, omdat hij niet in de procedure in vrijwaring is verschenen en;
iii) hem gewezen op de mogelijkheid van het instellen van verzet tegen het verstekvonnis in de vrijwaringszaak.
De Makelaar heeft bevestigd dat hij begreep in welke hoedanigheid hij de zitting kon bijwonen en heeft herhaald dat hij een en ander wilde toelichten.
2.6.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[bedrijf] is een beleggingsmaatschappij. In 2021 was de heer [naam] de bestuurder van [bedrijf] ; hij had een goede relatie met de Makelaar, met wie [bedrijf] destijds verschillende zaken deed.
3.2.
Op 8 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 20.000 overgemaakt aan (notaris) mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “Aanbet. / verstrekking Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.3.
Op 18 november 2021 heeft [bedrijf] een bedrag van € 30.000 overgemaakt aan mr. [notaris] B.V. onder vermelding van “1e Hyp. [adres] , [postcode] [plaats] (…)”.
3.4.
Op 25 november 2021 is tussen [bedrijf] en de Leningnemer een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen die luidt als volgt:
GELDLENING
De ondergetekenden:
[gedaagden]
hierna zowel tezamen als afzonderlijk te noemen: schuldenaar;
(…) [de bestuurder], (…);
[bedrijf] B.V., hierna ook genoemd: geldgever;
De ondergetekenden verklaren als volgt:
Ter beschikking stellen van gelden
Schuldeiser heeft op 25 november 2021 ten titel van geldlening aan de schuldenaar ter beschikking gesteld een bedrag groot vijftigduizend euro (€ 50.000,00), hierna te noemen ‘de hoofdsom’.
De schuldenaar verklaart dit bedrag per die datum te hebben ontvangen.
Het ter beschikking gestelde bedrag, via de derdengeldrekening van [notaris], notaris te Den Haag, is door de schuldenaar gebruikt voor de betaling van de waarborgsom van het navolgende registergoed:
(…)
Voorwaarden geldlening
Met betrekking tot de vorenbedoeld geldlening zijn partijen de navolgende bepalingen en bedingen overeengekomen:
1. Looptijd
De geldlening is – tenzij deze wordt verlengd – verstrekt voor een tijdsduur van één jaar, die eindigt op 25 november 2022.
2. Rente
Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar tien procent (10%) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijn bij achterafbetaling, voor het eerst op 1 maart 2022, over het sedert heden verstreken tijdvak.
Het hiervoor genoemde rentepercentage is vastgesteld voor een periode van één (1) jaar. De rente kan daarna door partijen steeds in onderling overleg gewijzigd worden vastgesteld. Komen zij geen ander percentage overeen, geldt het onderhavige. Bij deze berekening van de rente wordt een maand op dertig (30) dagen gesteld en een jaar op driehonderdzestig (360) dagen.
3. Aflossing
Op de hoofdsom behoeft niet periodiek te worden afgelost.
(…). Algehele aflossing van de (restant-)hoofdsom dient uiterlijk plaats te hebben op één november tweeduizendtweeëntwintig. (…).
Boete bij niet tijdige aflossing 10% van de hoofdsom.
Bij niet betalen van de rente wordt per maand per keer € 150 verschuldigd.
4. Opeisbaarheid
De hoofdsom is onmiddellijk opeisbaar in de volgende gevallen:
- bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht (8) dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen;
- (…);
- bij beslag op een goed van de schuldenaar, bij faillissement of surséance van de schuldenaar of aanvrage daartoe, en in alle andere gevallen waarin hij het vrije beheer over een of meer van zijn goederen verliest, alsmede bij zijn overlijden;
- (…).
(…).
Man en vrouw schuldenaren zijn beide ieder hoofdelijk en geheel ondeelbaar aansprakelijk voor alle verplichtingen.
3.5.
De heer [naam] is eind 2022 overleden; als bestuurder van [bedrijf] is hij opgevolgd door zijn broer. In 2023 is er een tweede bestuurder bijgekomen.
3.6.
Op 19 juni 2024 heeft [bedrijf] de Leningnemer gesommeerd om binnen twee dagen een bedrag van € 76.534,09 aan [bedrijf] te betalen vanwege het uitblijven van tijdige (terug)betaling van de geldlening. Het bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 50.000, vermeerderd met een bedrag van € 15.939,09 uit hoofde van de in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst overeengekomen rente van 10% en een bedrag van € 10.595 uit hoofde van de boetebepaling van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst.
3.7.
Bij exploot van 20 juni 2024 heeft een deurwaarder de brief van 19 juni 2024 van [bedrijf] aan de Leningnemer betekend.
Geschil
In de hoofdzaak
4.1.
[bedrijf] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de Leningnemer veroordeelt tot betaling aan [bedrijf] van:
een bedrag van € 75.642,41, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 28 juni 2024;
een bedrag van € 1.531,42 aan buitengerechtelijke incassokosten althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
de beslag- en proceskosten inclusief nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van dit vonnis.
4.2.
[bedrijf] legt aan de vordering ten grondslag dat de Leningnemer in verzuim is met de nakoming van de op hem rustende hoofdelijke verplichtingen voortvloeiende uit de geldleningsovereenkomst (artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek, ‘BW’).
4.3.
De Leningnemer voert verweer en voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Hij betwist dat de lening niet is terugbetaald en stelt dat de Makelaar dit voor hem heeft gedaan.
In de vrijwaringszaak
4.4.
De Leningnemer vordert, samengevat, dat de Makelaar wordt veroordeeld om aan hem te betalen al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van de Makelaar in de kosten van de procedure.
4.5.
De Leningnemer legt aan de vordering ten grondslag dat zijn rechtsverhouding met de Makelaar met zich meebrengt dat de Makelaar gehouden is hem vrij te houden van alle nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. De Leningnemer heeft bij de aankoop van een woning gebruikgemaakt van de diensten van de Makelaar. Door een fout van de Makelaar heeft de Leningnemer een contractuele boete van € 50.000 verbeurd. Omdat de Leningnemer dit niet kon betalen, heeft de Makelaar voor hem geregeld dat hij geld kon lenen bij [bedrijf] . De Leningnemer en de Makelaar zijn overeengekomen dat de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar zou betalen, dat de Makelaar dit bedrag zou aanvullen met € 20.000 van zijn eigen geld en dan hij dan in één keer de lening van de Leningnemer bij [bedrijf] voor de Leningnemer zou aflossen. De afspraak tussen Leningnemer en de Makelaar blijkt uit een afschrift van de geldleningsovereenkomst, waaraan de Makelaar een alinea met deze afspraak heeft toegevoegd. Voor zover [bedrijf] onbetaald is gebleven, is het aan de Makelaar om [bedrijf] terug te betalen.
4.6.
De Makelaar is niet in de procedure verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
In de hoofdzaak en in de vrijwaring
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. De Leningnemer erkent dat de sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2024 hem heeft bereikt en dat hij, hoewel hem door die brief duidelijk werd dat het door hem geleende geld volgens [bedrijf] nog niet was terugbetaald, geen gevolg heeft gegeven aan de sommatie of anderszins contact met haar heeft opgenomen. Bijna een maand later is de dagvaarding aan de Leningnemer uitgebracht.
De geldleningsovereenkomst
5.2.
Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [bedrijf] € 50.000 heeft geleend aan de Leningnemer en de Leningnemer zich (onder meer) hoofdelijk heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag met rente, uiterlijk op 1 november 2022.
5.3.
Partijen zijn het er niet over eens of de lening al is terugbetaald. Ook is in geschil of de Leningnemer zich met succes kan beroepen op een afspraak die hij buiten [bedrijf] om heeft gemaakt met de Makelaar, of dat de Leningnemer onverkort hoofdelijk aansprakelijk blijft. Ten aanzien van dit laatste stelt de rechtbank voorop dat een afspraak die de Leningnemer met de Makelaar heeft gemaakt in beginsel niet afdoet aan afspraken die de Leningnemer met [bedrijf] heeft gemaakt, omdat [bedrijf] niet met die afspraak heeft ingestemd.
5.4.
De Leningnemer ontkent niet dat hijzelf niets aan [bedrijf] heeft terugbetaald, maar stelt dat de Makelaar de lening voor hem heeft terugbetaald. [bedrijf] betwist dit.
5.5.
Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de Leningnemer stellen en bewijzen dat namens hem aan [bedrijf] is betaald. Dat hiervan sprake is, heeft de Leningnemer echter onvoldoende concreet gemaakt.
Er zijn geen stukken waaruit van enige terugbetaling aan [bedrijf] blijkt, en de Leningnemer heeft niet meer naar voren gebracht dan dat de Makelaar hem heeft verteld dat hij de lening voor hem heeft terugbetaald en “dat hij zich niet kan voorstellen dat de Makelaar dit niet heeft gedaan”. De Makelaar heeft ter zitting bevestigd dat hij de lening voor de Leningnemer aan [bedrijf] zou terugbetalen en heeft verteld dat hij dit contant heeft gedaan. Wanneer en hoe precies hij dit zou hebben gedaan, is ook na vragen van de rechtbank onduidelijk gebleven.
De rechtbank verwacht ook bij stellingen over contante betalingen dat deze concreet worden gemaakt door een beschrijving van het moment waarop en de omstandigheden waaronder die betalingen zijn gedaan, en door overlegging van bijvoorbeeld pinbewijzen, kwitanties, foto’s en/of app-berichten. De Leningnemer heeft ook na de betwisting door [bedrijf] niets van dit alles gedaan; daarom komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.
5.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door [bedrijf] gevorderde terugbetaling van de hoofdsom van € 50.000 met rente zal toewijzen, met inachtneming van het hierna volgende.
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
5.7.
De rechtbank heeft [bedrijf] voorgehouden dat de Leningnemer een consument is, althans dat hij wordt vermoed een consument te zijn zoals bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het daarmee de vraag is of de geldleningsovereenkomst onder het bereik valt van Titel 2A van Boek 7 BW.
5.8.
[bedrijf] heeft dit bestreden. De geldleningsovereenkomst is volgens haar geen consumentenkredietovereenkomst, omdat de Leningnemer de lening is aangegaan vanwege de aanschaf van een onroerende zaak die zou dienen als belegging. De Leningnemer heeft erop gewezen dat hij de onroerende zaak gebruikt als woning.
5.9.
[bedrijf] heeft een geldleningsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd uit hoofde waarvan zij als professionele partij een bedrag van € 50.000 heeft geleend aan Leningnemer, een natuurlijk persoon althans een consument zoals bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder a BW. In de geldleningsovereenkomst staat dat de lening is bedoeld ter voldoening van een waarborgsom in verband met de aankoop van een onroerende zaak. Uit de twee betalingen van [bedrijf] aan het notariskantoor blijkt dat het bedrag ook als zodanig is aangewend (3.2 en 3.3). De lening wordt niet gewaarborgd door een hypotheek. Artikel 7:58 lid 2 onder a BW is daarom in deze zaak niet van toepassing.
Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder b BW zijn ook kredieten ter verkrijging of behoud van grond of een woning uitgezonderd van de werking van Titel 2A van Boek 7 BW. Uit de parlementaire toelichting op deze bepaling blijkt dat de wetgever daarbij dacht aan met de financiering van onroerend goed gemoeide kredieten waarvoor al andere beschermende eisen gelden, zoals de tussenkomst van een notaris (Kamerstukken II 2009/10, 32 339, nr. 3, p. 13). Van een type krediet waarvoor zulke beschermende eisen gelden, is hier geen sprake.
Dit betekent dat de geldleningsovereenkomst is aan te merken als een consumentenkrediet-overeenkomst als bedoeld in artikel 7:57 BW lid 1 onder c BW. Artikel 7:73 BW bepaalt dat van Titel 2A niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken.
5.10.
Uit artikel 7:60 lid 1 en lid 3 BW volgt dat de kredietgever ( [bedrijf] ) of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar een oneerlijke handelspraktijk verricht zoals bedoeld in artikel 6:193b lid 1 BW, indien hij de consument (de Leningnemer) niet geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of aanbod wordt gebonden, precontractuele informatie verstrekt die voldoet aan artikel 5 van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Deze precontractuele informatieplicht heeft tot doel de consument goed te informeren en hem in de gelegenheid te stellen een weloverwogen beslissing te nemen.
5.11.
De rechtbank is van oordeel – alles overwegende en in samenhang bezien – dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een oneerlijke en dus verboden handelspraktijk van [bedrijf] , omdat niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 6:193b lid 2 BW. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
5.11.1.
[bedrijf] heeft op 8 november 2021 een bedrag van € 20.000 en op 18 november 2021 een bedrag van € 30.000 aan de notaris overgemaakt, ten behoeve van de Leningnemer. Pas daarna – op 25 november 2021 – heeft de Leningnemer de geldleningsovereenkomst getekend. Of partijen de voorwaarden althans de inhoud van de geldleningsovereenkomst met elkaar hebben besproken en zo ja, wanneer, is niet gesteld of gebleken.
5.11.2.
De Leningnemer heeft tijdens de zitting wel verteld dat hij een woning wilde kopen en dat het niet was gelukt om de daarvoor nodige bankgarantie tijdig te regelen. Hij had een boete verbeurd en de verkoper van de woning wilde geen nader uitstel meer verlenen. De Leningnemer had dus dringend geld nodig; geld dat hij niet had en dat de bank hem niet wilde lenen. De Makelaar zei dat hij dit wel voor hem kon regelen bij (de toenmalige bestuurder van) [bedrijf] , met wie de Makelaar een goede band had. Zo kon de aankoop van de woning toch doorgaan. De Leningnemer was niet aanwezig bij het gesprek tussen de Makelaar en (de bestuurder van) [bedrijf] .
5.11.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Leningnemer door [bedrijf] kan worden aangesproken op terugbetaling van de lening. Dat de Leningnemer zich dit ook steeds heeft gerealiseerd, blijkt uit zijn verklaring ter zitting. Die komt erop neer dat hij er niet helemaal op vertrouwde dat de Makelaar de lening in november 2022 echt aan [bedrijf] had terugbetaald: hij vertelde dat hij pas “begon te relaxen” toen hij een jaar later nog niet over de lening was aangeschreven.
Beoordeling
6.1.
De Makelaar is niet in het geding verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
6.2.
De rechtbank zal de vordering in vrijwaring toewijzen omdat deze haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, en wel op grond van het volgende.
6.2.1.
De Leningnemer heeft een exemplaar van zijn geldleningsovereenkomst met [bedrijf] overgelegd, waarin onderaan de overeenkomst een alinea is toegevoegd die luidt als volgt:
“Bovengenoemde lening heeft de partijen op 25-11-2021 overeen gekomen en door alle partijen getekend tot op heden is nog niet betaald als vandaag schuldenaren een bedrag van €30.000 over maken naar het volgende rekeningnummer
Ten name van [de Makelaar] rekeningnummer (…) betalen dan vervalt alle verplichtingen van schuldenaren daarmee vervalt geldlening die op 25-11-2021 getekend is door partijen.
Hierbij staat [de Makelaar] garant voor het kwijting.
(…).
Aldus opgemaakt en getekend op 26-01 2023.”
6.2.2.
De Makelaar heeft de geldleningsovereenkomst met de hiervoor geciteerde alinea ondertekend. Als niet weersproken volgt hieruit dat de Makelaar in zijn verhouding tot Leningnemer gehouden is om dat wat de Leningnemer heeft geleend van [bedrijf] , te vermeerderen met rente en kosten terug te betalen aan [bedrijf] , als de Leningnemer € 30.000 aan de Makelaar betaalt.
6.2.3.
De Leningnemer heeft een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat hij op 26 januari 2023 een bedrag van € 30.000 aan de Makelaar heeft overgemaakt.
6.2.4.
De rechtbank weegt verder mee dat de Makelaar de door Leningnemer gestelde afspraken tijdens de mondelinge behandeling als informant heeft bevestigd.
Proceskosten
6.3.
De Makelaar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Leningnemer worden begroot op € 614 aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief II à € 614) en € 145,45 voor het laten uitbrengen van de dagvaarding, dus € 759,45 in totaal.
Dictum
De rechtbank:
in de hoofdzaak
7.1.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 66.292,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.2.
veroordeelt de Leningnemer hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [bedrijf] tot op heden begroot op een bedrag van € 7.735,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de vrijwaringszaak:
7.5.
veroordeelt de Makelaar om aan de Leningnemer te betalen al dat waartoe de Leningnemer in de hoofdzaak jegens [bedrijf] is veroordeeld en zal hebben voldaan, waaronder de proceskosten,
7.6.
veroordeelt de Makelaar in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Leningnemer begroot op een bedrag van € 759,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Type: 2513
Beoordeling
Tot die tijd liep hij naar eigen zeggen “op stekels”, omdat hij wist dat er boetes bij zouden komen als de lening niet op tijd was terugbetaald. Pas toen er een deurwaarder bij hem voor de deur stond, heeft de Leningnemer aan de Makelaar gevraagd hoe het zat en of hij de lening wel echt voor hem had terugbetaald. De Makelaar vertelde hem toen dat hij dit had gedaan; hij heeft de Leningnemer het telefoonnummer van de bestuurder van [bedrijf] gegeven. Pas toen kwam de Leningnemer erachter dat die bestuurder eind 2022 was overleden. De huidige bestuurder van [bedrijf] wilde bewijs zien dat de lening was terugbetaald, maar dat bewijs was er niet, zo vertelde de Leningnemer. Uit dit betoog van de Leningnemer maakt de rechtbank op dat hij heeft getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de Makelaar en dat hij niet zeker wist of de Makelaar hun afspraak wel zou nakomen; toch heeft de Leningnemer alles op zijn beloop gelaten, zonder na te gaan of de Makelaar het door hem geleende geld aan [bedrijf] had terugbetaald.
5.11.4.
Dat de Leningnemer als gevolg van enig handelen van [bedrijf] niet in staat was een weloverwogen beslissing te nemen over de lening, of dat hij de overeenkomst van geldlening is aangegaan onder een wilsgebrek, is niet gesteld en ook niet gebleken. Uit het betoog van Leningnemer kan ook niet worden afgeleid dat hij van de overeenkomst af wil of af had gewild; zijn betoog komt erop neer dat hij de overeenkomst al is nagekomen.
5.11.5.
Het pijnpunt in deze zaak lijkt vooral te zitten in de vraag of de Makelaar wel heeft gedaan wat hij de Leningnemer (en [bedrijf] ) had beloofd; dat de Makelaar zijn beloften is nagekomen, is in deze procedures niet gebleken.
5.11.6.
Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen voor een oneerlijke handelspraktijk van [bedrijf] waardoor de Leningnemer een besluit over de overeenkomst heeft genomen dat hij anders niet zou hebben genomen.
Kredietvergoeding
5.12.
Naast de hoofdsom vordert [bedrijf] betaling van een kredietvergoeding (rente) van 10% zoals vastgelegd in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst. Dat deze kredietvergoeding is overeengekomen, is niet in geschil.
5.13.
De overeengekomen kredietvergoeding van 10% sluit aan bij de op grond van artikel 7:71 BW maximaal toegestane vergoeding van artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding. [bedrijf] vordert uit dien hoofde betaling door Leningnemer van een bedrag van € 16.292,41, tegen de omvang waarvan de Leningnemer geen verweer heeft gevoerd. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
Boete en buitengerechtelijke incassokosten
5.14.
[bedrijf] maakt ook aanspraak op een boete op grond van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst, en op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten à € 1.531,42.
5.15.
De rechtbank wijst deze delen van de vordering af, op grond van het volgende.
5.15.1.
Uit artikel 7:76 lid 1 onder b BW volgt dat een boete pas verschuldigd wordt nadat de consument in gebreke is gesteld. De gestelde termijn waarbinnen de consument alsnog boetevrij kan nakomen, moet redelijk zijn.
5.15.2.
Nu de Leningnemer een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, moet hij ook eerst worden aangemaand voordat hij incassokosten verschuldigd wordt. Bij die aanmaning moet het bedrag dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht worden vermeld en moet een termijn van veertien dagen worden geboden om de vordering alsnog te voldoen zonder dat de incassokosten verschuldigd zijn (artikel 6:96 lid 6 BW).
5.15.3.
De sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2014 (3.6) voldoet niet aan het bepaalde in de artikelen 6:96 lid 6 en 7:76 lid 1 onder b BW. In haar brief heeft [bedrijf] de Leningnemer namelijk gesommeerd om binnen twee dagen € 76.534,09 te betalen; deze termijn is te kort. Ook is niet vermeld welk bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten de Leningnemer verschuldigd zal zijn als er niet wordt betaald.
Verschuldigde rente
5.16.
[bedrijf] maak aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.15.3 is overwogen, zal de rechtbank de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen zoals hierna is vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.17.
De Leningnemer is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief beslag- en nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van Van Eden's worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
271,94
- overige explootkosten
€
754,63
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
3.642,00
(3 punten x € 1.214)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.735,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beoordeling
Tot die tijd liep hij naar eigen zeggen “op stekels”, omdat hij wist dat er boetes bij zouden komen als de lening niet op tijd was terugbetaald. Pas toen er een deurwaarder bij hem voor de deur stond, heeft de Leningnemer aan de Makelaar gevraagd hoe het zat en of hij de lening wel echt voor hem had terugbetaald. De Makelaar vertelde hem toen dat hij dit had gedaan; hij heeft de Leningnemer het telefoonnummer van de bestuurder van [bedrijf] gegeven. Pas toen kwam de Leningnemer erachter dat die bestuurder eind 2022 was overleden. De huidige bestuurder van [bedrijf] wilde bewijs zien dat de lening was terugbetaald, maar dat bewijs was er niet, zo vertelde de Leningnemer. Uit dit betoog van de Leningnemer maakt de rechtbank op dat hij heeft getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de Makelaar en dat hij niet zeker wist of de Makelaar hun afspraak wel zou nakomen; toch heeft de Leningnemer alles op zijn beloop gelaten, zonder na te gaan of de Makelaar het door hem geleende geld aan [bedrijf] had terugbetaald.
5.11.4.
Dat de Leningnemer als gevolg van enig handelen van [bedrijf] niet in staat was een weloverwogen beslissing te nemen over de lening, of dat hij de overeenkomst van geldlening is aangegaan onder een wilsgebrek, is niet gesteld en ook niet gebleken. Uit het betoog van Leningnemer kan ook niet worden afgeleid dat hij van de overeenkomst af wil of af had gewild; zijn betoog komt erop neer dat hij de overeenkomst al is nagekomen.
5.11.5.
Het pijnpunt in deze zaak lijkt vooral te zitten in de vraag of de Makelaar wel heeft gedaan wat hij de Leningnemer (en [bedrijf] ) had beloofd; dat de Makelaar zijn beloften is nagekomen, is in deze procedures niet gebleken.
5.11.6.
Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen voor een oneerlijke handelspraktijk van [bedrijf] waardoor de Leningnemer een besluit over de overeenkomst heeft genomen dat hij anders niet zou hebben genomen.
Kredietvergoeding
5.12.
Naast de hoofdsom vordert [bedrijf] betaling van een kredietvergoeding (rente) van 10% zoals vastgelegd in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst. Dat deze kredietvergoeding is overeengekomen, is niet in geschil.
5.13.
De overeengekomen kredietvergoeding van 10% sluit aan bij de op grond van artikel 7:71 BW maximaal toegestane vergoeding van artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding. [bedrijf] vordert uit dien hoofde betaling door Leningnemer van een bedrag van € 16.292,41, tegen de omvang waarvan de Leningnemer geen verweer heeft gevoerd. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
Boete en buitengerechtelijke incassokosten
5.14.
[bedrijf] maakt ook aanspraak op een boete op grond van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst, en op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten à € 1.531,42.
5.15.
De rechtbank wijst deze delen van de vordering af, op grond van het volgende.
5.15.1.
Uit artikel 7:76 lid 1 onder b BW volgt dat een boete pas verschuldigd wordt nadat de consument in gebreke is gesteld. De gestelde termijn waarbinnen de consument alsnog boetevrij kan nakomen, moet redelijk zijn.
5.15.2.
Nu de Leningnemer een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, moet hij ook eerst worden aangemaand voordat hij incassokosten verschuldigd wordt. Bij die aanmaning moet het bedrag dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht worden vermeld en moet een termijn van veertien dagen worden geboden om de vordering alsnog te voldoen zonder dat de incassokosten verschuldigd zijn (artikel 6:96 lid 6 BW).
5.15.3.
De sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2014 (3.6) voldoet niet aan het bepaalde in de artikelen 6:96 lid 6 en 7:76 lid 1 onder b BW. In haar brief heeft [bedrijf] de Leningnemer namelijk gesommeerd om binnen twee dagen € 76.534,09 te betalen; deze termijn is te kort. Ook is niet vermeld welk bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten de Leningnemer verschuldigd zal zijn als er niet wordt betaald.
Verschuldigde rente
5.16.
[bedrijf] maak aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.15.3 is overwogen, zal de rechtbank de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen zoals hierna is vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.17.
De Leningnemer is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief beslag- en nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van Van Eden's worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
271,94
- overige explootkosten
€
754,63
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
3.642,00
(3 punten x € 1.214)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.735,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beoordeling
Tot die tijd liep hij naar eigen zeggen “op stekels”, omdat hij wist dat er boetes bij zouden komen als de lening niet op tijd was terugbetaald. Pas toen er een deurwaarder bij hem voor de deur stond, heeft de Leningnemer aan de Makelaar gevraagd hoe het zat en of hij de lening wel echt voor hem had terugbetaald. De Makelaar vertelde hem toen dat hij dit had gedaan; hij heeft de Leningnemer het telefoonnummer van de bestuurder van [bedrijf] gegeven. Pas toen kwam de Leningnemer erachter dat die bestuurder eind 2022 was overleden. De huidige bestuurder van [bedrijf] wilde bewijs zien dat de lening was terugbetaald, maar dat bewijs was er niet, zo vertelde de Leningnemer. Uit dit betoog van de Leningnemer maakt de rechtbank op dat hij heeft getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de Makelaar en dat hij niet zeker wist of de Makelaar hun afspraak wel zou nakomen; toch heeft de Leningnemer alles op zijn beloop gelaten, zonder na te gaan of de Makelaar het door hem geleende geld aan [bedrijf] had terugbetaald.
5.11.4.
Dat de Leningnemer als gevolg van enig handelen van [bedrijf] niet in staat was een weloverwogen beslissing te nemen over de lening, of dat hij de overeenkomst van geldlening is aangegaan onder een wilsgebrek, is niet gesteld en ook niet gebleken. Uit het betoog van Leningnemer kan ook niet worden afgeleid dat hij van de overeenkomst af wil of af had gewild; zijn betoog komt erop neer dat hij de overeenkomst al is nagekomen.
5.11.5.
Het pijnpunt in deze zaak lijkt vooral te zitten in de vraag of de Makelaar wel heeft gedaan wat hij de Leningnemer (en [bedrijf] ) had beloofd; dat de Makelaar zijn beloften is nagekomen, is in deze procedures niet gebleken.
5.11.6.
Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen voor een oneerlijke handelspraktijk van [bedrijf] waardoor de Leningnemer een besluit over de overeenkomst heeft genomen dat hij anders niet zou hebben genomen.
Kredietvergoeding
5.12.
Naast de hoofdsom vordert [bedrijf] betaling van een kredietvergoeding (rente) van 10% zoals vastgelegd in artikel 2 van de geldleningsovereenkomst. Dat deze kredietvergoeding is overeengekomen, is niet in geschil.
5.13.
De overeengekomen kredietvergoeding van 10% sluit aan bij de op grond van artikel 7:71 BW maximaal toegestane vergoeding van artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding. [bedrijf] vordert uit dien hoofde betaling door Leningnemer van een bedrag van € 16.292,41, tegen de omvang waarvan de Leningnemer geen verweer heeft gevoerd. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
Boete en buitengerechtelijke incassokosten
5.14.
[bedrijf] maakt ook aanspraak op een boete op grond van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst, en op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten à € 1.531,42.
5.15.
De rechtbank wijst deze delen van de vordering af, op grond van het volgende.
5.15.1.
Uit artikel 7:76 lid 1 onder b BW volgt dat een boete pas verschuldigd wordt nadat de consument in gebreke is gesteld. De gestelde termijn waarbinnen de consument alsnog boetevrij kan nakomen, moet redelijk zijn.
5.15.2.
Nu de Leningnemer een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, moet hij ook eerst worden aangemaand voordat hij incassokosten verschuldigd wordt. Bij die aanmaning moet het bedrag dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht worden vermeld en moet een termijn van veertien dagen worden geboden om de vordering alsnog te voldoen zonder dat de incassokosten verschuldigd zijn (artikel 6:96 lid 6 BW).
5.15.3.
De sommatiebrief van [bedrijf] van 19 juni 2014 (3.6) voldoet niet aan het bepaalde in de artikelen 6:96 lid 6 en 7:76 lid 1 onder b BW. In haar brief heeft [bedrijf] de Leningnemer namelijk gesommeerd om binnen twee dagen € 76.534,09 te betalen; deze termijn is te kort. Ook is niet vermeld welk bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten de Leningnemer verschuldigd zal zijn als er niet wordt betaald.
Verschuldigde rente
5.16.
[bedrijf] maak aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.15.3 is overwogen, zal de rechtbank de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen zoals hierna is vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.17.
De Leningnemer is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief beslag- en nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van Van Eden's worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
271,94
- overige explootkosten
€
754,63
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
3.642,00
(3 punten x € 1.214)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.735,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.