Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:11049
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,148 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 23/14720
AWB 23/14721
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 27 februari 2025 in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1990, met de Chinese nationaliteit,
eiser en verzoeker (eiser)
(gemachtigde: mr. A. Abdi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’.
1.1.
Met het besluit van 2 juni 2023 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 20 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de intrekking van eisers verblijfsvergunning en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
4.1.
Eiser had vanaf [datum] 2018 een arbeidsovereenkomst bij de Universiteit Twente. Verweerder heeft met ingang van diezelfde datum aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’.
4.2.
Op 25 augustus 2021 heeft de Universiteit Twente eiser afgemeld wegens ontslag op eigen verzoek per 1 augustus 2021. Eiser heeft verklaard dat hij aansluitend op dit ontslag bij de Universiteit van Glasgow in het Verenigd Koninkrijk is gaan werken.
4.3.
Op 19 juli 2022 is eiser uitgeschreven bij de Basisregistratie Personen (BRP).
4.4.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser met het besluit van 2 juni 2023 met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 1 augustus 2021, omdat hij per die datum is afgemeld door de Universiteit Twente.
4.5.
Sinds [datum] 2023 werkt eiser als onderzoeker bij de Universiteit van Amsterdam (UvA). Verweerder heeft met ingang van diezelfde datum aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘wetenschappelijk onderzoek’.
Mocht verweerder de verblijfsvergunning van eiser intrekken?
5. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder zijn verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken. Hiertoe voert eiser aan dat hij na zijn uitschrijving bij de BRP op 19 juli 2022 nog actief is geweest in het hoger onderwijs in Nederland. Eiser heeft hiertoe de volgende stukken overgelegd:
een screenshot van het MySolisID-systeem van de Universiteit Utrecht van 11 juni 2023, waarop eiser staat aangeduid als ‘employee’;
een verzoek voor toelating tot het doctoraalprogramma van de UvA van een student van 26 juni 2022, waarop eiser vermeld staat als co-supervisor;
een mailwisseling tussen eiser en de UvA op 8 maart 2022 over het aanmaken van een UvA netID;
toekenning aan eiser van een beurs door The Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) op 16 juni 2023.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, en artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 kan verweerder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd intrekken als niet (meer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. Het staat vast dat eisers arbeidsovereenkomst met de Universiteit Twente per 1 augustus 2021 op verzoek van eiser is beëindigd. Vanaf dat moment voldeed eiser dus niet meer aan de beperking waaronder zijn verblijfsvergunning was verleend. De stukken die eiser heeft overgelegd leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze stukken volgt namelijk niet dat eiser tussen 1 augustus 2021 en 1 september 2023 (de ingangsdatum van zijn nieuwe verblijfsvergunning) een arbeidsovereenkomst had bij een erkend referent waarmee hij voldeed aan de beperking ‘arbeid als kennismigrant’. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser daarom mogen intrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de verblijfsvergunning van eiser per 1 augustus 2021 intrekken?
6. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder zijn verblijfsvergunning niet per 1 augustus 2021, maar pas per 1 november 2021 mocht intrekken. Op grond van paragraaf B6/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleent verweerder namelijk een zoekperiode van drie maanden aan een vreemdeling die werkloos is geworden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden. Verweerder trekt op grond van dezelfde bepaling de verblijfsvergunning pas in als de zoekperiode is verstreken en de vreemdeling in die periode geen nieuwe functie als kennismigrant heeft gevonden.
6.1.
De rechtbank overweegt dat deze bepaling niet van toepassing is op de situatie van eiser. Eiser is na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bij de Universiteit Twente namelijk niet werkloos geraakt. Volgens zijn eigen verklaringen is hij aansluitend bij de Universiteit van Glasgow gaan werken. Daar komt nog bij dat de bepaling die eiser aanhaalt is bedoeld om een vreemdeling die werkloos is geraakt in de gelegenheid te stellen een andere functie in Nederland te vinden, waarmee hij zijn verblijfsvergunning kan behouden. Eiser is juist weggegaan uit Nederland. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning in stand blijft.
8. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank, in de zaak AWB 23/14720:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 23/14721:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verslag hoorzitting in bezwaar van 15 november 2023, Pagina 2.