Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:11043
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/8815 (beroep)
AWB 24/8816 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 27 februari 2025 in de zaken tussen
[eiseres]
, geboren op [geboortedatum] 1976, met de Surinaamse nationaliteit,
eiseres en verzoekster (eiseres)
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel 'verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres voor een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 1 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van haar aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep en het verzoek om de voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook was aanwezig de heer [naam] (de partner van eiseres).
Beoordeling
2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank ziet in het geval van eiseres aanleiding om dit verzoek toe te wijzen, zodat zij in deze procedure is vrijgesteld van deze verplichting.
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres en haar verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep
5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen dat zij niet over een geldige mvv beschikt. Eiseres voldoet namelijk aan alle voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste zoals die op de website van de IND staan beschreven.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft niet nader onderbouwd aan welke voorwaarden zij voldoet op grond waarvan zij vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiseres voert verder aan dat haar uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van dit artikel ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Er is geen ‘fair balance’ getroffen tussen de belangen van eiseres en die van de Nederlandse Staat.
6.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar familieleven heeft met haar partner in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar dat zij de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen. Eiseres heeft namelijk het grootste deel van haar leven in Suriname gewoond en het gaat om haar eerste toelating tot Nederland voor rechtmatig verblijf, wat in haar nadeel meeweegt. Daarnaast komt de partner van eiseres van oorsprong ook uit Suriname. Hij is dus bekend met de cultuur en gebruiken daar, zodat van hem gevergd kan worden dat hij zijn familieleven met eiseres in Suriname uitvoert. Het belang van de Nederlandse Staat weegt verder zwaarder dan het belang van eiseres om haar familieleven in Nederland uit te mogen oefenen. Het belang van de Nederlandse Staat bestaat uit het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van Nederland.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit slechts algemene belangen van de Nederlandse Staat genoemd die een rol kunnen spelen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder is niet kenbaar ingegaan op het belang dat de Nederlandse Staat in het specifieke geval van eiseres heeft bij de weigering om eiseres haar familieleven in Nederland te laten uitoefenen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
6.3.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder herhaald dat het belang van de Nederlandse Staat in het geval van eiseres bestaat uit het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De gemachtigde van verweerder heeft daaraan toegevoegd dat de Nederlandse Staat er ook belang bij heeft dat aanvragen voor verblijfsvergunningen volgens de geldende regels verlopen. Daarom mag volgens verweerder van eiseres verlangd worden dat zij terugkeert naar Suriname om daar een mvv aan te vragen en een inburgeringscursus te doen. Doordat zij dit niet heeft gedaan en zonder toestemming in Nederland haar familieleven met haar partner is gaan uitoefenen, heeft zij verweerder voor een voldongen feit gesteld.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag in beginsel belang hechten aan het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Ook mag verweerder er in beginsel belang aan hechten dat aanvragen voor verblijfsvergunningen volgens de geldende procedures verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt echter uit de toelichting van de gemachtigde van verweerder nog steeds niet waarom deze belangen in dit geval van dusdanig doorslaggevend gewicht zijn, dat zij zwaarder zouden moeten wegen dan het belang van eiseres om haar familieleven met haar partner in Nederland uit te oefenen. De rechtbank kan daarnaast zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet volgen dat verweerder er een belang bij zou hebben dat eiseres in Suriname een inburgeringscursus doet. Eiseres is daar opgegroeid en naar school gegaan in een tijd dat de Surinaamse samenleving nog sterk gericht was op Nederland en de Nederlandse cultuur. Eiseres spreekt bovendien goed Nederlands. Ten aanzien van verweerders standpunt dat de partner van eiseres ook naar Suriname zou kunnen gaan om daar met eiseres het familieleven uit te oefenen, overweegt de rechtbank dat de partner op zijn veertiende naar Nederland is verhuisd en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Hij verricht daarnaast maatschappelijk relevant werk bij de [onderdeel] van de gemeente Amsterdam en geeft les over verkeersveiligheid aan basisschoolkinderen. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de belangenafweging.
6.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft mogen laten uitvallen. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.
7. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de bestuursrechter een aan hem voorgelegd geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank beoordeelt daarom hierna ook nog de derde en laatste beroepsgrond van eiseres.
8. Eiseres voert tot slot aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.
8.1.
De rechtbank overweegt dat horen een essentieel onderdeel van de bezwaar procedure is. Verweerder dient haar bevoegdheid om hiervan af te zien terughoudend toe te passen. Een hoorzitting kan juist uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, of eventueel te zoeken naar oplossingen voor gerezen problemen. Gelet hierop – en gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen in het kader van de belangenafweging – had verweerder niet van horen mogen afzien en het bezwaar van eiseres niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder zal eiseres voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit dus ook moeten horen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
9. Eiseres heeft verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat zij de beoordeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.
9.1.
De rechtbank overweegt dat de voorzieningenrechter van de deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 19 februari 2024 heeft besloten dat eiseres de beslissing op haar bezwaar in Nederland mag afwachten. Nu het bestreden besluit wordt vernietigd, herleeft de bezwaarfase en moet verweerder een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres. De voorlopige voorziening van zittingsplaats Haarlem herleeft daarom ook, zodat eiseres op grond van die voorlopige voorziening de nieuwe beslissing op haar bezwaar in Nederland mag afwachten. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiseres in deze procedure heeft gedaan daarom af. Omdat eiseres dit verzoek terecht heeft ingediend, krijgt zij wel een proceskostenvergoeding.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en omdat verweerder eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat het de taak van verweerder is om haar besluiten zorgvuldig voor te bereiden en deugdelijk te motiveren. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat verweerder eiseres eerst zal moeten horen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres een proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt de hoogte van deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank,
in de zaak AWB 24/8815:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 30 april 2024;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
in de zaak AWB 24/8816:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
in beide zaken:
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Immigratie- en naturalisatiedienst.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zaaknummer AWB 23/4991.