Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:11031
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,981 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.30848
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1937, met de Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 april 2022 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Op 10 oktober 2023 heeft eiser een beroep ingediend wegens het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Met het bestreden besluit van 7 december 2023 heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Het beroep van eiser is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege tegen het bestreden besluit gericht. Verweerder is met het bestreden besluit bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de zoon van eiser (hierna: referent), de gemachtigde van eiser, E. Taskin als tolk in de taal Turks en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar. Verweerder heeft namelijk alsnog een besluit genomen op eisers bezwaar. Eiser heeft daarmee al gekregen wat hij beoogde te bereiken met zijn beroep tegen het niet-tijdig beslissen, namelijk dat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op zijn bezwaar. Eiser kan met zijn beroep tegen het niet-tijdig beslissen ook niet méér bereiken dan hij al bereikt heeft. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het niet-tijdig beslissen door verweerder.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gericht tegen de afwijzing van de mvv ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft een mvv aangevraagd omdat hij bij referent in Nederland wil verblijven. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er volgens verweerder geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen eiser en referent. Tussen hen bestaat namelijk geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM uit in het nadeel van eiser, aldus verweerder.
Had verweerder familieleven moeten aannemen tussen eiser en zijn zoon?
5. Eiser voert ten eerste aan dat er wel familieleven bestaat tussen hem en referent, omdat er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen bestaat. Eiser heeft in Turkije namelijk acht jaar samengewoond met referent en diens gezin, tot aan het gedwongen vertrek van referent uit Turkije. Tijdens deze periode verzorgden en ondersteunden referent en diens vrouw eiser, die vanwege zijn medische klachten hulpbehoevend was en dat nog steeds is. Daarnaast is er in die periode van samenwonen een sterke emotionele afhankelijkheid ontstaan tussen eiser en referent. Referent werd namelijk vervolgd in Turkije omdat hij sympathiseerde met de Gülenbeweging. Dit was een zeer angstige periode voor eiser en referent, waarin zij veel steun aan elkaar hebben gehad. Bovendien loopt eiser als familielid van een Gülenist ook nu nog het risico om in Turkije sociaal uitgesloten te worden door de samenleving en de overheid. Verweerder heeft dit alles onvoldoende betrokken bij het bestreden besluit. Dat referent op dit moment geen financiële ondersteuning biedt aan eiser betekent daarnaast niet dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en hun ouders sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Uit werkinstructie 2020/16 van verweerder volgt dat bij het vaststellen van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie de volgende elementen betrokken worden: samenwoning; financiële afhankelijkheid; emotionele afhankelijkheid; de gezondheid van de betrokken personen; en de banden met het land van herkomst. Geen van deze elementen is op zichzelf genoeg om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen, alle elementen worden in samenhang gewogen. Ook de vraag of er een exclusieve afhankelijkheid bestaat tussen de ouders en meerderjarige kinderen speelt een rol bij de vaststelling van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook dit is geen beslissende factor, maar wordt door verweerder wel zwaar meegewogen.
5.2.
Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft referent verklaard dat eiser op dit moment bij een zoon van referent en diens gezin in Turkije verblijft. Op de zitting heeft referent bevestigd dat eiser daar nog steeds verblijft. De zoon en schoondochter van referent vullen eisers pensioen aan en ondersteunen hem op die manier ook financieel. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft referent over de medische klachten van eiser verklaard dat hij last heeft van duizeligheid en van pijn in zijn knieën. Referent heeft verklaard dat eiser hierdoor niet in zijn dagelijks leven wordt belemmerd. Op de zitting heeft referent niet expliciet verklaard over de medische toestand van eiser, anders dan dat het over het algemeen goed met hem gaat. Verder heeft referent verklaard dat eiser niet zelf eten kan klaarmaken en dat zijn zoon en schoondochter dit voor hem doen als zij thuiskomen van hun werk. Verder heeft referent verklaard dat eiser referent en zijn gezin mist en dat hij bij hen wil zijn.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aangenomen tussen eiser en referent. Eiser is niet in financiële of medische zin afhankelijk van referent. Zijn dagelijkse verzorging wordt geregeld door de zoon en schoondochter van referent. Dat zij allebei werken en daardoor niet elk moment van de dag zorg kunnen dragen voor de behoeften van eiser is niet ideaal, maar maakt niet dat eiser daarmee (exclusief) afhankelijk is van referent. De omstandigheid dat eiser referent en zijn gezin mist en graag bij hen wil zijn, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank begrijpt dat de band tussen eiser en referent verdiept is in de periode waarin referent vervolgd werd. Deze omstandigheden en het feit dat eiser nog steeds beducht is voor sociale uitstoting leiden echter niet tot het oordeel dat een meer dan gebruikelijke (emotionele) afhankelijkheid bestaat tussen eiser en referent.
6. Verweerder heeft daarom terecht geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiser en referent. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser mogen laten uitvallen?
7. Eiser voert ten tweede aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Er is geen ‘fair balance’ getroffen tussen het belang van referent en eiser enerzijds en het belang van de Nederlandse Staat anderzijds. Verweerder kent ten onrechte een te zwaar gewicht toe aan het economische belang van de Nederlandse Staat. Er kan niet van referent verwacht worden dat hij zelfstandig inkomen genereert, nu hij pas kort in Nederland is. Daarnaast heeft verweerder miskend dat eiser bij overkomst naar Nederland geen beroep op onderwijsvoorzieningen zal doen omdat hij niet inburgeringsplichtig is. Ook heeft eiser aangegeven dat hij maandelijks pensioen ontvangt. In Nederland zal hij recht houden op dit pensioen.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van het bestreden besluit gold nog de rechtspraak van de Afdeling dat verweerder altijd een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moest maken, ook als er geen familieleven in de zin van dit artikel werd aangenomen. De Afdeling heeft bij uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat verweerder deze belangenafweging niet meer hoeft te maken als hij vaststelt dat er tussen een vreemdeling en referent geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat.
7.2.
De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat verweerder terecht geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiser en referent. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen in het midden blijven.
Conclusie
8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag voor een mvv in stand blijft.
9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt wel een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder, omdat hij dit beroep terecht heeft ingediend. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Werkinstructie 2020/16, paragraaf 3.4.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van 13 juli 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.1.