Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:11027
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,620 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51700
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Ramai).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 13 december 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen. Verweerder heeft op 2 januari 2025 een schriftelijke reactie ingediend. Eiser heeft hier op 2 januari 2025 op gereageerd.
Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor de sluiting van het onderzoek zonder nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 6 januari 2025 gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank merkt allereerst op dat eiser eerder op 26 november 2024 beroep heeft ingesteld tegen de maatregel van bewaring van 25 november 2024. Eiser heeft dat beroep op 28 november 2024 ingetrokken. Op 25 december 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring van 25 november 2024. Nu niet is gebleken dat eiser zijn eerdere beroep heeft ingetrokken omdat hij de rechtmatigheid van de
maatregel niet langer betwist, ziet de rechtbank geen aanleiding om het thans voorliggende beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel
van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
4. Eiser voert aan dat verweerder aan hem niet tijdig een kennisgeving heeft gestuurd, waardoor niet tijdig beroep is ingesteld tegen de maatregel.
4.1.
Zoals onder rechtsoverweging 1 is overwogen, heeft eiser reeds beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die in deze zaak ter toetsing voorligt, en heeft hij dat beroep vervolgens weer ingetrokken. Tevens is de maatregel van bewaring op 13 december 2024 opgeheven ten behoeve van de oplegging van een nieuwe maatregel. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de rechtbank ten onrechte niet in kennis heeft gesteld van de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert aan dat hij bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet in de gelegenheid is gesteld om een voorkeursadvocaat op te geven. Hierdoor is aan hem rechtsbijstand onthouden en is de maatregel van meet af aan onrechtmatig.
5.1.
Uit het proces-verbaal van gehoor van 25 november 2024 blijkt dat verweerder de voorkeursadvocaat van eiser gebeld en gemaild heeft omdat hij niet op de piketlijst van de Raad van Rechtsbijstand stond vermeld. De voorkeursadvocaat (tevens gemachtigde in de onderhavige zaak) heeft aangegeven dat hij wel als gemachtigde wilde optreden in deze zaak maar niet bij het gehoor aanwezig wenste te zijn. Aan eiser werd vervolgens gevraagd ‘Vindt u het goed dat we dit gehoor laten plaatsvinden zonder dat uw advocaat hierbij aanwezig is?’ waarop eiser heeft geantwoord: ‘Ik vind het prima om alleen met u verder te praten’. De gemachtigde van eiser heeft deze gang van zaken ter zitting niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een voorkeursadvocaat op te geven of dat aan hem rechtsbijstand is onthouden. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert aan dat de grondslag van de maatregel van bewaring van 25 november 2024 niet tijdig is omgezet.
6.1.
Verweerder heeft aan eiser op 25 november 2024 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw. Eiser heeft op 12 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft dan 48 uur om de grondslag van de maatregel te wijzigen. Op 13 december 2024 is aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. Verweerder heeft de grondslag van de maatregel dus tijdig gewijzigd. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert verder aan dat verweerder ten aanzien van eiser ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de bewaring rechtmatig voortduurt.
7.1.
Artikel 59, zesde lid, van de Vw luidt als volgt:
“In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid kan de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.”
Uit hoofdstuk A5, onderdeel 6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat bij een verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw, de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b van de Vw buiten beschouwing wordt gelaten.
7.2.
Uit het voortgangsrapport van 29 november 2024 blijkt dat eiser op 24 mei 2024 in bewaring is gesteld, aanvankelijk op grond van artikel 59b van de Vw en vanaf 5 juni 2024 afwisselend op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a dan wel onder b van de Vw. Weliswaar is (zoals ook volgt uit de aanhef van artikel 59, eerste lid van de Vw) sinds 5 juni 2024 steeds sprake van bewaring met het oog op uitzetting, maar aan eiser is sindsdien telkens een nieuwe maatregel opgelegd (in verband met aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier), telkens met opheffing van de eerdere maatregel. Omdat aan
eiser steeds een nieuwe maatregel is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat van een voortzetting van één maatregel gedurende zes maanden geen sprake is geweest. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt vanwege de duur van de bewaring. Deze is gemaakt op 18 november 2024 en opgenomen in de voortgangsrapportage. Daarmee kon verweerder volstaan, en hij hoefde dus geen verlengingsbesluit te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De maatregel van bewaring van 13 december 2024 ligt in deze beroepsprocedure niet ter beoordeling voor. Op wat eiser daarover heeft aangevoerd zal de rechtbank in deze uitspraak dus niet ingaan.
9.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.
D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 januari 2025
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.