Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:11018
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,645 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38345
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. S. Byeik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 18 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 april 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. V. Sarkisian als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond van de zaak
3. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser woont in Marokko en heeft als zelfstandig ondernemer drie winkels waar hij jellaba’s verkoopt.
3.1.
Eiser heeft op 11 april 2023 een visum voor kort verblijf gevraagd om op (familie) bezoek te gaan bij zijn zus en zijn zwager in Nederland. Eisers zus en zwager treden in deze procedure op als referent van eiser.
3.2.
De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen en deze afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen in Marokko te beschikken om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien en heeft hij ook zijn sociale binding met Marokko niet aannemelijk gemaakt.
Doel en omstandigheden van het verblijf
4. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat zij niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij het doel van zijn verblijf onvoldoende heeft aangetoond. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken in haar uitspraak.
Redelijke twijfel van tijdige terugkeer
5. Eiser voert aan dat hij tijdig zal terugkeren naar Marokko gezien zijn sterke sociale en economische binding met Marokko. Eiser heeft in Marokko een groot netwerk van familie, vrienden en kennissen. Ook woont eiser samen met zijn moeder in gezinsverband. Volgens eiser valt niet in te zien waarom het wonen in gezinsverband niet voldoende duidt op een sociale binding met het land van herkomst. Verder voert eiser aan hij in Marokko als zelfstandige werkt en hiermee een inkomen genereert. Eiser ontvangt diverse betalingen contant als zelfstandige maar stort deze bedragen vervolgens op zijn rekening. Volgens eiser dient een hoge storting op een bankrekening geen rol te spelen bij de toekenning van een visum voor kort verblijf. Eiser heeft voldoende saldo op zijn bankrekening om zijn reis te kunnen voorzien. Ook heeft eiser onroerend goed in eigendom. Dit getuigt volgens eiser van een sterke economische binding met Marokko.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast voor de aanvraag primair bij de aanvrager ligt. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Bij het onderzoek of een van de weigeringsgronden van de Visumcode kan worden tegengeworpen, komt aan de minister een zekere beoordelingsruimte toe.
Sociale binding
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sociale binding van eiser gering is gebleken. Eiser is 38 jaar, gescheiden en heeft geen kinderen. In bezwaar heeft eiser de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ ingevuld en gesteld dat hij in gezinsverband samenwoont met zijn moeder. De enkele stelling van eiser dat hij met zijn moeder woont, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om van een sociale binding uit te gaan. Uit deze stelling blijkt immers niet dat eiser een bijzondere zorgplicht, dan wel een verantwoordelijkheid heeft voor zijn moeder die het gebruikelijke overstijgt. Hierbij acht de rechtbank nog van belang op te merken dat uit artikel 14, eerste lid, onder d, van de Visumcode volgt dat de aanvrager informatie verstrekt die het mogelijk maakt het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, te beoordelen. Eiser had zijn aanvraag dus al moeten voorzien van voldoende informatie. De minister heeft gelet op het voorgaande mogen tegenwerpen dat eiser de sociale binding onvoldoende heeft onderbouwd
Economische binding
5.3.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende economische binding heeft met Marokko. Eiser heeft met de overgelegde stukken niet aangetoond dat hij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt en op basis hiervan economisch gebonden is aan Marokko. Eiser heeft weliswaar documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij een onderneming op zijn naam heeft staan bij de Marokkaanse Kamer van Koophandel en de belastingdienst, echter kan niet uit de voornoemde stukken objectief worden vastgesteld dat sprake is van daadwerkelijke exploitatie van eisers gestelde onderneming. In het geval van eiser kan de minister geen verwijt worden gemaakt dat het onduidelijk was voor eiser wat hij moest overleggen in bezwaarprocedure. Uit het primaire besluit blijkt dat de reeds tijdens de aanvraagfase overgelegde stukken ontoereikend zijn om de exploitatie van de gestelde onderneming aan te tonen dan wel aannemelijk te maken. De minister heeft al bij het primaire besluit gemotiveerd welke feiten en omstandigheden ten grondslag lagen aan die overweging, waardoor het op de weg van eiser had gelegen om tijdens de bezwaarprocedure (aanvullende) objectiveerbare bewijsmiddelen over te leggen om de gestelde werkzaamheden en inkomsten nader te onderbouwen. In bezwaar heeft eiser slechts een koopovereenkomst aangaande de koop van een onroerend goed overgelegd om aan te tonen dat hij over een inkomen beschikt in Marokko. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen betrekken dat het bezitten van onroerend goed niet hoeft te worden aangemerkt als voldoende onderbouwing van de economische binding. In beroep heeft eiser verder geen stukken overgelegd. De verklaring van eiser dat klanten in Marokko contant betalen en dat eiser deze contanten stort op zijn rekening, is onvoldoende bewijs om het gestorte bedrag te herleiden tot inkomsten voortvloeiend uit de onderneming van eiser.
5.4.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet kan worden aangenomen dat eiser een zodanige sociale en economische binding heeft met Marokko dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. De door eiser voorgestelde meldplicht met voorgestelde waarborgen laat onverlet dat niet is aangetoond dat eiser voldoende sociale en economische binding heeft met Marokko om zijn tijdige terugkeer te waarborgen.
Hoorplicht
6. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
6.1.
Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, bezien in het licht van het primaire besluit en artikel 32 van de Visumcode, is de rechtbank van oordeel dat de minister van horen heeft kunnen afzien, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Immers, eiser heeft ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten onvoldoende aangetoond dat sprake is van een zodanige sociale en economische binding dat een tijdige terugkeer in redelijkheid gewaarborgd is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4466.
Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4329, r.o. 4.2.
Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 januari 2020, zaaknummer AWB 19/5989.
Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.