Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10946
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,628 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/2058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende(gemachtigde: A. Oosters)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 15 januari 2024 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2023 is vastgesteld op € 788.000,- (de beschikking).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025.
Namens belanghebbende is de gemachtigde verschenen. De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1. Bij de uitspraak op bezwaar is het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de waarde van de woning is vastgesteld op € 680.000,-. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar € 672,- aan proceskostenvergoeding toegekend, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 310,- (wegingsfactor 1), en een vergoeding van € 52,- voor het taxatierapport. In beroep is slechts de proceskostenvergoeding in bezwaar in geschil. De waarde van de woning is niet in geding.
2. Belanghebbende bepleit een hogere waarde per punt. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad op 12 juli 2024 moeten de kosten voor het bezwaar inderdaad met toepassing van het hogere tarief worden vergoed. Omdat deze uitspraak van de rechtbank in 2025 wordt gedaan, moet daarbij het tarief worden toegepast dat voor 2025 is vastgesteld
(€ 647,- per punt in bezwaar).
3. Belanghebbende betwist verder de door verweerder in de uitspraak op bezwaar toegekende vergoeding van € 52,- voor het ingebrachte deskundigenrapport. Hij stelt dat de uitspraak van de rechtbank van 30 oktober 2023 niet op deze zaak ziet. Het rapport van De Juiste Waarde B.V. is volgens belanghebbende niet geautomatiseerd, alles is handwerk. De verwijzing van de heffingsambtenaar naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag kan de rechtbank niet volgen. Daarin ging het om een gestandaardiseerd taxatierapport. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ook in dit geval zou gaan om een gestandaardiseerd taxatierapport vergelijkbaar met het rapport dat aan de orde was in de zaak waar de uitspraak van de rechtbank Den Haag op zag. Gelet op de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (de Richtlijn 2018) zijn de kosten voor een inpandig taxatierapport € 53,- x 2 uur + btw = € 128,26. Dit bedrag moet worden vergoed door de heffingsambtenaar.
4. Belanghebbende wordt gelet op wat hiervoor is overwogen in zijn gelijk gesteld. In zoverre is het beroep gegrond.
5. Belanghebbende bepleit wat betreft de kosten voor het beroep dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet van hem op toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
7. Dat in dit geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval, heeft belanghebbende noch zijn gemachtigde aannemelijk gemaakt. Weliswaar zijn in de onderhavige zaak door deze gemachtigde duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure, en zijn in zijn aanvulling op het beroepschrift ook op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken, echter, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet de toets die in dit verband geldt. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en).
8. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.467,61,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 1294,-) en € 128,26 voor het taxatierapport; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), - rekening houdend met het feit dat het in beroep slechts om de hoogte van de proceskosten in bezwaar ging - een wegingsfactor 0,25 en vermenigvuldigd met een factor van 0,1 (totaal beroepsfase € 45,35).
9. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de proceskostenvergoeding;
laat de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.467,61-;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden;
draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
G.M. Kraus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2024:1060.
ECLI:NL:HR:2025:46.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.
ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 5.3.1. en 5.3.2.
ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin.
Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
Zie ECLI:NL:HR:2025:156.