Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:10944
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,344 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/3653
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 13 februari 2024 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2023 is vastgesteld op € 695.000 (de beschikking).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025.
Namens belanghebbende is haar partner, [naam 1] , verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. de Jong, [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Ter zitting is namens belanghebbende een waarde van € 635.000 bepleit. Verder stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase procedurele fouten heeft gemaakt. Volgens belanghebbende is de hoorplicht geschonden en zijn aan hem niet alle gegevens verstrekt die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.
Nader stuk belanghebbende
2. Belanghebbende heeft met dagtekening 8 februari 2025, dus na sluiting van het onderzoek, een nader stuk ingediend. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding het onderzoek te heropenen en zal dit stuk verder buiten beschouwing laten.
WOZ-waarde
3. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
4. De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen hij verder heeft aangevoerd, maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar een toelichting gegeven op de waardering van de zogeheten KOUDV-factoren in de matrix. De woning van belanghebbende, met bouwjaar 2012, is op al deze punten gewaardeerd als ‘gemiddeld’. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de eenvoudige keuken en badkamer, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat moet worden uitgegaan van een lagere waardering.
5. Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar een aantal objectkenmerken van de woning niet juist heeft geregistreerd. Zo heeft de woning sinds circa 2018 een overkapping en is aan de dakkapel volgens belanghebbende ten onrechte een oppervlak van 11 m² gekoppeld. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de overkapping hem niet bekend was, maar in het waarderingssysteem zal worden geregistreerd. Met betrekking tot de dakkapel heeft de heffingsambtenaar gewezen op de matrix waaruit volgt dat aan de dakkapel geen waarde is toegerekend. Omdat de heffingsambtenaar geen waarde heeft berekend voor de overkapping noch voor de dakkapel, kan deze grond niet leiden tot de conclusie dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.
6. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd over de WOZ-waarde, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende wijst erop dat de WOZ-waarde in één jaar met 27,3% is gestegen en stelt onder verwijzing naar algemene prijsindexcijfers dat deze stijging niet kan worden verklaard. Deze stelling faalt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen met zich dat de waarde van een onroerende zaak elk jaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van verkoopcijfers van met de woning vergelijkbare panden die op of rond de waardepeildatum zijn verkocht. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige jaar vastgestelde WOZ-waarde is daarom slechts van belang of die waarde is bepaald in overeenstemming met de geldende wettelijke voorschriften. De WOZ-waarde die voor een vorige waardepeildatum voor de woning is vastgesteld kan bij de bepaling van de nieuwe WOZ-waarde geen rol spelen. Algemene stijgingspercentages evenals stijgingspercentages van WOZ-waarden van andere woningen laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.
Toezendplicht
7. Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte niet alle gegevens heeft verstrekt die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. De rechtbank vat dit op als een beroep op de toezendplicht van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. Ter zitting is komen vast te staan dat deze grond zich beperkt tot het niet verstrekken van een taxatiekaart. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij het inzicht dat hij uit de in beroep overgelegde matrix heeft gekregen in de waardevaststelling, graag in de bezwaarfase had gekregen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de informatie die hij in de bezwaarfase aan belanghebbende heeft verstrekt aan de toezendplicht van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ voldaan. De heffingsambtenaar is niet verplicht om met een taxatiekaart of anderszins inzicht te verschaffen in de wijze waarop hij de waarde precies heeft berekend. Artikel 40 van de Wet WOZ gaat over gegevens. Het verstrekken van inzicht is geen gegeven als bedoeld in dit artikel. Ook het interpreteren van deze gegevens valt niet onder deze bepaling. De matrix, waarin het inzicht is gegeven dat belanghebbende in de bezwaarfase graag had gehad, is pas in de beroepsfase handmatig opgemaakt en dient enkel als hulpmiddel om na de waardevaststelling te onderbouwen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Hoorplicht
9. Belanghebbende is uitgenodigd voor een hoorgesprek. In beroep heeft belanghebbende een brief van 31 januari 2024 overgelegd waarin hij aan de gemeente vraagt om uitstel van het hoorgesprek. De heffingsambtenaar stelt deze brief niet te hebben ontvangen. Op het hoorgesprek is geconstateerd dat belanghebbende niet is verschenen.Dat de brief van 31 januari 2024 daadwerkelijk en tijdig is verstuurd, is niet gebleken uit de stukken. Wat belanghebbende heeft aangevoerd over de hoorplicht treft dan ook geen doel.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel heeft de heffingsambtenaar vanwege de gang van zaken aangeboden het griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal aldus beslissen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
G.M. Kraus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
Vgl. ECLI:NL:HR:2023:1052.
Vgl. ECLI:NL:GHDHA:2024:1917.