Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:10907
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,041 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:10907 text/xml public 2026-04-09T07:54:32 2025-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-04 09/215136-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10907 text/html public 2026-04-09T07:53:57 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:10907 Rechtbank Den Haag , 04-04-2025 / 09/215136-23 Vrijspraak van poging doodslag, zware mishandeling en poging zware mishandeling. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/215136-23 Datum uitspraak: 4 april 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] (Polen), [adres] op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. van Weers naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of de arm en/of de hand, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te ’s-Gravenhage aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekwond(en) in het been en/of in de arm en/of in de (rechter)hand, althans een of meer steekwond(en) in het lichaam, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of in de arm en/of in de hand, althans in het lichaam te steken; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 augustus 2023 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of de arm en/of de hand, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van al hetgeen hem ten laste is gelegd. 3.3. Vrijspraak De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte meer subsidiair is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt als volgt. Het dossier bevat tegenstrijdige verklaringen over wat zich op 25 augustus 2023 tussen de verdachte en aangever heeft afgespeeld. De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van aangever en de verdachte vast dat tussen hen een confrontatie heeft plaatsgevonden en dat aangever enkele verwondingen heeft opgelopen, waaronder een steekwond in zijn been. Hoe deze verwondingen zijn ontstaan blijft echter onduidelijk. Aangever verklaart dat de verdachte bij zijn woning verscheen, op de deur klopte en, zodra hij de deur opendeed, een mes achter zijn rug vandaan haalde en hem direct aanviel. Toen aangever het mes probeerde af te pakken, stak de verdachte hem in zijn been. De verdachte daarentegen stelt dat hij slechts bij aangever langskwam om met zijn (in de woning aanwezige) vriendin te praten en dat aangever degene was die plotseling een mes uit de keuken pakte en op hem afkwam, waarop de verdachte zich heeft verweerd. In de worsteling die volgde zou het mes in het been van aangever terecht zijn gekomen, mogelijk doordat de verdachte de handen van aangever met daarin het mes van zich af en naar beneden probeerde te duwen. De vriendin van de verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat zij de verdachte met een mes in de woning zag, maar zij heeft deze verklaring later ingetrokken en verklaard dat zij geen mes heeft gezien. Sterker nog: zij heeft toen ook verklaard dat zij juist de aangever met een mes heeft gezien, dat hij vervolgens verstopte in een schuurtje. De verdachte heeft verder verklaard dat er nog een derde man bij de deur stond toen hij bij de woning aankwam en dit is later bevestigd door zijn vriendin. Aangever ontkent dat er een derde man aanwezig was. Deze van elkaar afwijkende verklaringen roepen nog meer twijfel op over de precieze gang van zaken en dragen bij aan de onzekerheid over wat er daadwerkelijk is voorgevallen. De overige resultaten van het opsporingsonderzoek bieden onvoldoende duidelijkheid over wat er is gebeurd. Het mes, dat cruciaal zou kunnen zijn voor de vraag wie het heeft vastgehouden of hoe de verwondingen van aangever zijn ontstaan, is niet aangetroffen, waardoor dit niet onderzocht kon worden. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden, zijn van dusdanig slechte kwaliteit dat ook zij geen duidelijkheid over de gebeurtenissen van 25 augustus 2023 kunnen verschaffen. Er zijn verder geen andere getuigen die het incident hebben waargenomen. Het scenario dat de verdachte heeft geschetst kan daarom niet zonder meer als onaannemelijk ter zijde worden geschoven. Door deze tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van objectief bewijs, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen wat er precies is gebeurd tussen aangever en de verdachte. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van al hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. 4 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 18.035,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 15.035,50 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.300,-, bestaande uit € 1.500,- aan immateriële schade en € 4.800,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat vrijspraak is bepleit, subsidiair dient de vordering te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.