Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:10897
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,522 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/681993 / JE RK 25-463 en C/09/682196 / JE RK 25-499
Datum uitspraak: 8 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] ,
advocaat mr. C. Arslaner te Leidschendam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2025;
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 maart 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van [de minderjarige] ;
[naam] , een vertegenwoordiger van de GI, met een collega als toehoorder.
[de minderjarige] , de vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] , de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
[de minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.2.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
[de minderjarige] verblijft bij [instelling] .
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 mei 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 22 mei 2025.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 9 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft het verzoek, kort en zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft baat bij de structuur en duidelijke regels van [instelling] en de intensieve begeleiding die hij daar krijgt. De afgelopen periode heeft [de minderjarige] positieve stappen gezet, waarbij hij zich aan het dagprogramma houdt en school steeds beter gaat, maar hij blijft makkelijk beïnvloedbaar en kan nog impulsief, grensoverschrijdend en agressief gedrag vertonen. De ouders zijn betrokken bij [de minderjarige] , maar tussen de ouders verloopt het vaak rommelig en het lukt hen onvoldoende om bij de belevingswereld van [de minderjarige] aan te sluiten. [de minderjarige] kan niet terug naar huis en de open setting is op dit moment te risicovol, omdat hij daar niet de begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft. Hij is afgewezen bij Ipse de Brugge en met het expertiseteam zal verder gekeken worden naar een passende vervolgplek.
4.2.
De advocaat heeft namens [de minderjarige] naar voren gebracht dat [de minderjarige] niet naar de rechtbank wil komen en het niet eens is met de verzoeken. [de minderjarige] wil niet bij [instelling] verblijven. Hij heeft het gevoel dat de begeleiders niet naar hem luisteren en dat hij onheus door hen behandeld wordt. Door de strijd tussen de ouders kan hij onvoldoende op hen steunen. [de minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid en perspectief en het werkt demotiverend voor hem om bij [instelling] te zitten, waardoor hij alleen maar meer gaat tegenwerken.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De concrete ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn nog steeds aanwezig naar het oordeel van de kinderrechter. Hoewel [de minderjarige] positieve stappen heeft gezet kan hij nog steeds met regelmaat ongepast en risicovol gedrag laten zien waarbij hij de grenzen opzoekt. [de minderjarige] heeft daarbij moeite met het beheersen van zijn impulsen en het inzien van zijn eigen aandeel. Hij heeft intensieve begeleiding nodig en heeft baat bij de duidelijke kaders van [instelling] . De ouders doen hun best om betrokken te blijven bij [de minderjarige] , maar zijn niet in staat om adequaat aan te kunnen sluiten bij zijn complexe opvoedbehoeften waardoor hij zich niet altijd gesteund voelt. Verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om toezicht te kunnen houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] , de hulpverlening te continueren en om te zorgen voor een veilige en stabiele overgang naar een geschikte vervolgplek. Gelet op de stappen die nog moeten worden genomen is de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar daarvoor passend.
5.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar tot 22 mei 2026.
5.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om dit te ondervangen. Een plaatsing in de open setting is op dit moment niet haalbaar, omdat [de minderjarige] nog onvoldoende gestabiliseerd is en zijn risicovolle gedrag nog aanwezig is. Door zijn complexe problematiek is er sprake van een intensieve hulpvraag waarbij [de minderjarige] veel begeleiding nodig heeft. Het risico is groot dat hij binnen de open setting terug zal vallen in zijn negatieve gedrag, omdat hij daar niet de begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft. [de minderjarige] heeft duidelijkheid en structuur nodig en een gespecialiseerde woon- en behandelplek is noodzakelijk, maar het is nog niet gelukt om een dergelijke passende plek voor [de minderjarige] te vinden. Tot die tijd is het van belang dat [de minderjarige] bij [instelling] verblijft waar hij de kaders en begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft. Gelet op de complexiteit van zijn problematiek is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden passend. Zodra een geschikte vervolgplek is gevonden zal [de minderjarige] worden overgeplaatst.
5.5.
De kinderrechter machtigt de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden tot 9 oktober 2025.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om [de minderjarige] onder toezicht te stellen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 22 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 april 2025 tot 9 oktober 2025;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025 door mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).