Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:10834
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,792 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5202
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.G. Matze),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Ter zitting heeft eiser het met dit beroep samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening met nummer NL25.5203 ingetrokken.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Moldavische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 30 november 2024 een asielaanvraag ingediend. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij Moldavië heeft verlaten omdat hij problemen had met de man van wie zijn moeder een huis had gekocht. Ook heeft eiser in Moldavië problemen ondervonden omdat hij Roma is en vanwege zijn geloof. Hij vreest ook voor de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Tot slot heeft eiser Moldavië verlaten omdat hij medische hulp nodig heeft.
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit het voornemen van 27 januari 2025 gehandhaafd. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De angst voor de oorlog wordt niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat dit een toekomstige vrees betreft. Ook de problemen die eiser heeft ondervonden omdat hij Roma is, de problemen vanwege zijn geloof en de problemen met de man waar de moeder van eiser een huis van heeft gekocht, worden niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Dat eiser problemen heeft in Moldavië wordt gevolgd door verweerder, maar verweerder vindt niet geloofwaardig dat deze problemen het gevolg zijn van de Roma-etniciteit van eiser. Verweerder volgt eiser wel in zijn stelling dat hij als Roma anders wordt behandeld dan Moldaviërs. Ook wordt door verweerder gevolgd dat dat eiser in Moldavië behoort tot de Pinkstergemeente. Dit kan echter niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Er is immers geen sprake van een situatie dat sprake is van een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser loopt bij terugkeer naar Moldavië geen reëel risico op ernstige schade. Daarbij overweegt verweerder dat het niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor de man van wie eisers moeder een huis heeft gekocht. Daarnaast overweegt verweerder dat er geen concrete indicaties zijn dat de oorlog in Oekraïne overslaat naar Moldavië en zij hun huis moeten afstaan. Tot slot komt eiser niet in aanmerking voor uitstel van vertrek om medische redenen zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.
3. Eiser voert hiertegen het volgende aan. Eiser is van mening dat gezien de omstandigheid dat eiser Roma is, hartpatiënt is, getrouwd is met een suikerpatiënte en niet kan werken, in zijn geval de drempel van artikel 3 van het EVRM wordt gehaald. Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft eiser een klepkaart overgelegd. Eiser wordt vanwege discriminatie vanwege zijn Roma afkomst in Moldavië zo ernstig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk nog langer op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Zo kan eiser geen adequate medische zorg krijgen voor zijn hartziekte. Eiser is te ziek om te werken en de sociale voorzieningen voor Roma zijn non-existent. Daarnaast krijgt eiser geen toegang tot de bestaande reguliere medische zorg. Hij verwijst hierbij naar pagina 28 van het artikel ‘Diskriminiert und abgelehnt’ van K. Holzapfel. Verder verwijst eiser naar pagina 22 van dat artikel waaruit blijkt huizen waarin Roma wonen niet aangesloten zijn op de waterleiding en overige voorzieningen. Dit betekent dat eiser in de winter met hout zou moeten sjouwen om de vrieskou buiten te houden en te kunnen koken. Daartoe is hij fysiek niet langer in staat vanwege zijn ziekte. Voorts heeft ook de echtgenote van eiser geen toegang tot levensreddende medicatie voor haar diabetes en nierfalen. Huisartsen weigeren Roma als patiënt. En als je in Moldavië geen huisarts hebt kan er niemand medicijnen voorschrijven. Verder wijst eiser erop dat uit het artikel blijkt dat ambulances niet komen als blijkt dat het om Roma gaat. Eiser voert ook aan dat niet is gebleken op welke manier de persoonlijke belangen van eiser om zijn geloof te mogen uitoefenen zijn meegewogen door verweerder. Tot slot heeft eiser een medische machtiging overgelegd. Eiser is dan ook van mening dat verweerder ambtshalve had dienen te toetsen of hij in aanmerking komt voor uitstel van vertrek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
4. Bij brief van 14 februari 2025 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 20 februari 2025 meegedeeld nog steeds contact te hebben met eiser. Verder heeft de gemachtigde van eiser ter zitting meegedeeld dat eiser de opvang wellicht niet vrijwillig heeft verlaten en dat hij via zijn eigen netwerk ergens anders een verblijfplaats heeft gevonden. Het precieze adres van eiser is bij de gemachtigde niet bekend. De gemachtigde van eiser heeft daarnaast meegedeeld dat zij vlak voor de zitting eiser telefonisch heeft gesproken met de hulp van de aanwezige tolk. De rechtbank acht het contact tussen de gemachtigde en eiser wel aanwezig. Gelet op de ontwikkelingen over dit onderwerp in de rechtspraak van de Afdeling en het uitgangspunt dat de rechter terughoudend moet zijn met het oordeel dat het procesbelang van een partij ontbreekt, concludeert de rechtbank dat eiser nog procesbelang heeft.
Discriminatie van Roma in Moldavië en problemen vanwege geloof
5. Volgens het beleid, neergelegd in paragraaf C1/ 4.1, vijfde lid, van de Vc kan de geloofwaardigheid van een asielmotief onder bepaalde omstandigheden in het midden gelaten worden. Verweerder heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Moldavië een reëel risico loopt op ernstige schade in verband met zijn etnische achtergrond en zijn geloof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Roma in zijn land wordt gediscrimineerd, maar dat de ernst van de door hem ondervonden discriminatie niet zodanig is dat hij daarom in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Moldavië een reëel risico zal lopen op ernstige schade in verband met zijn etnische achtergrond. Verweerder heeft hierbij terecht overwogen dat hiervan geen sprake is. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij door de discriminatie zo ernstig worden beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren in Moldavië.
6. De rechtbank overweegt daarbij dat het bekend is dat Roma in Moldavië geen makkelijk leven hebben, wat ook blijkt uit het door eiser aangehaalde rapport van Holzapfel. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij zich in Moldavië niet heeft kunnen handhaven. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij toegang heeft gehad tot medische zorg in Moldavië. Hierbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij persoonlijk geen ervaringen heeft gehad met het niet-krijgen van medische hulp, omdat hij niet op een Roma lijkt. Ook heeft eiser verklaard dat hij niet heeft geprobeerd om medische zorg te krijgen omdat hij als Roma steeds ging verhuizen, waardoor hij geen tijd had om ergens lang te blijven om medische hulp aan te vragen. Verder heeft eiser in Moldavië kunnen wonen en werken. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij af en toe op de markt heeft gewerkt en dat hij een handelaar in cosmetica en scheerapparaten was. Ook heeft eiser samen met zij vrouw sinds twee jaar een huis. Dat eisers huis niet is aangesloten op de waterleiding en overige voorzieningen, heeft eiser niet onderbouwd. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij als Roma niet in aanmerking komt voor ander werk dan zwart werk, waardoor hij geen ziektekostenpolis kan krijgen. Eiser heeft immers verklaard dat hij wel ander werk kon krijgen als hij geen medische problemen had of hoger was opgeleid. Verder is niet gebleken dat eiser geen toegang had tot scholing vanwege zijn Roma afkomst. Ook is gebleken dat hij identiteitsdocumenten heeft kunnen aanvragen.
Conclusie
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Een publicatie van ProAsyl en Flüchtlingsrat Berlin, februari 2022.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie hiervoor de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Verslag van nader gehoor van 23 januari 2025, pagina 9 en 14.
Verslag van nader gehoor van 23 januari 2025, pagina 9.
Het Bureau Medische Advisering.
ECLI:NL:RVS:2020:2448.