Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:10766
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,982 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres(gemachtigde: M.L.T. van Boekel)
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. T.C.A. Hofman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2021 afgewezen. Met het besluit van 31 maart 2022 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep daartegen bij uitspraak van 27 oktober 2023 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder alsnog bij de afwijzing gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres was zelf niet aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een aangeboren oogaandoening en is in 2016 gediagnostiseerd met ADD. Zij heeft van 1 augustus 2013 tot 1 april 2017 verschillende opleidingen gevolgd aan de ROC Mondriaan. Uiteindelijk heeft zij voor geen van die opleidingen een diploma behaald. Verweerder heeft de prestatiebeurs die eiseres voor die opleidingen was toegekend omgezet in een gift, omdat eiseres vanwege medische omstandigheden niet in staat was een diploma voor een van die opleidingen te behalen.
2.1.
Op 1 augustus 2021 is eiseres begonnen met de opleiding Gespecialiseerd Pedagogisch Medewerker Kinderopvang. Zij heeft daartoe een verzoek ‘Voorziening beroepsonderwijs bij bijzondere omstandigheden’ voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering gedaan. Dat verzoek is door verweerder afgewezen en de eerdere beslissing op bezwaar is bij uitspraak van 27 oktober 2023 gegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat verweerder ten onrechte geen nadere reactie heeft gevraagd aan eiseres en/of behandelaar Soeverijn. Het besluit was daarom onvoldoende gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Verweerder is daarom opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.2.
Op 27 juni 2024 heeft verweerder op basis van het rapport van haar medisch adviseur Knol opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist. Door Knol is negatief geadviseerd omdat er volgens hem geen sprake is van een tijdens de studie ontstane of verworven handicap, of van een zich tijdens de studie gemanifesteerde chronische ziekte. Verweerder is op grond daarvan alsnog bij de afwijzing van de aanvraag van eiseres gebleven. Wat vindt eiseres in beroep?
3. Anders dan verweerder stelt, heeft de ADD zich volgens eiseres wel degelijk tijdens de studie gemanifesteerd. Dit wordt ook onderschreven door GGZ-behandelaar Soeverijn. Daarnaast zijn haar ogen sterk achteruit gegaan tijdens haar studie. Eerder is de door haar ontvangen prestatiebeurs op grond van dezelfde feiten en voorwaarden omgezet in een gift. Dat verweerder nu zegt dat zij niet aan de voorwaarde voldoet om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering te kunnen maken, is dan ook onbegrijpelijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De voorziening waar eiseres om verzoekt, is bestemd voor zeer uitzonderlijke gevallen en bedoeld om een nieuwe start te kunnen maken met een studie die wél verenigbaar is met een tijdens de studie verworven of verergerde handicap of een zich manifesterende chronische ziekte. Om daar aanspraak op te kunnen maken zal allereerst uit verklaringen van een arts en van de onderwijsinstelling waar de student als laatst stond ingeschreven, moeten blijken dat als direct gevolg van een tijdens die studie verworven of verergerde handicap, of een zich tijdens die studie manifesterende chronische ziekte, een student genoodzaakt was om de reeds begonnen opleiding te beëindigen. Daarna moet de vraag worden beantwoord of de nieuwe opleiding met die handicap of chronische ziekte wel mogelijk is. Pas als beide vragen bevestigend worden beantwoord, is er sprake van een passender opleiding waarvoor aanspraak op nieuwe studiefinanciering bestaat.
4.1.
Ter discussie staat of er in het geval van eiseres sprake is van een tijdens haar studie verworven of verergerde handicap, dan wel van een zich toen manifesterende chronische ziekte. In dat kader heeft verweerder haar medisch adviseur Knol om advies gevraagd en is aan haar een medisch rapport uitgebracht. In principe mag verweerder zich baseren op een medisch deskundigenadvies, als dit advies is opgesteld door een ter zake deskundige, op zorgvuldige wijze onderzoek is gedaan en het advies inzichtelijk en concludent is. Als dat het geval is, ligt het op de weg van eiseres om concrete aanknopingspunten aan te voeren waardoor moet worden getwijfeld aan de juistheid van het advies. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van Knol en het door hem uitgevoerde onderzoek, dan wel aan de inhoud van het advies. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.2.
Knol concludeert in zijn rapport dat de ADD en oogaandoening van eiseres beide aangeboren zijn. Op basis van de beschikbare medische gegevens is volgens hem dan ook geen sprake van een tijdens de studie verworven handicap, of van een zich tijdens de studie gemanifesteerde chronische ziekte. De diagnose ADD kan namelijk alleen worden gesteld als er sprake is van minimaal zes symptomen van onoplettendheid en/of zes symptomen van hyperactiviteit/impulsiviteit in de kindertijd, en vijf symptomen in de volwassenheid. Dat de ADD later pas is gediagnostiseerd, betekent dus niet dat verschijnselen daarvan nog niet aanwezig waren. Ook is er geen sprake van een handicap die tijdens de studie verergerd is. De ADD-klachten vormen volgens Knol een intrinsiek patroon, welke als rode draad door het leven van eiseres loopt. Weliswaar kunnen de klachten daarbij in de tijd wisselen, de handicap zelf is echter niet aan schommelingen onderhevig. Soeverijn onderschrijft dit ook in haar reactie van 22 januari 2025. Zij legt uit dat symptomen in de kindertijd vaak onder de radar blijven, over het hoofd worden gezien, of niet als zodanig worden herkend. Dat Soeverijn vervolgens schrijft dat de chronische ziekte ADD zich manifesteerde tijdens de studie onder de invloed van de eisen die in het kader van de studie aan eiseres werden gesteld, lijkt dan ook niet te rijmen met de bovenstaande uitleg en wat ongelukkig te zijn geformuleerd. Dat eiseres tijdens de studie voor het eerst echt last heeft ondervonden van haar ADD, betekent namelijk niet dat de ADD zelf is verergerd, of toen pas is ontstaan. Verweerder heeft op grond van de verklaring van Soeverijn dan ook geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan het advies van Knol. Dat haar oogaandoening tijdens de studie zou zijn verergerd, en dat er tijdens de studie sociaal emotionele problematiek zou zijn ontstaan, is verder niet dan wel onvoldoende door eiseres onderbouwd. Dat dit ten onrechte niet is meegenomen door Knol en verweerder, kan de rechtbank daarom niet volgen.
4.3.
Dat eerder op de website van verweerder stond vermeld dat een voorwaarde voor aanspraak op nieuwe studiefinanciering is dat de ziekte tijdens de studie ontstaan, geconstateerd of verergerd is en dat dit eerder ook zo stond geschreven in de afwijzing van 25 november 2021, maakt niet dat eiseres daaraan direct een recht op nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft kunnen ontlenen. Weliswaar kan dit tot de nodige verwarring hebben geleid, maar eiseres heeft er niet daarom gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij daadwerkelijk recht zou hebben op een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is namelijk meer nodig dan een beroep op algemene voorlichtende informatie op een website. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slagen als het bestuursorgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager een gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt en de aanvrager op grond van het opgewekte vertrouwen gehandeld heeft. Daarvan is hier geen sprake. De website vermeld de voorwaarden op grond waarvan een aanvraag kan worden gedaan, maar daarmee kan nog niet worden gesproken van een toezegging.
4.4.
Omdat er geen sprake is van een tijdens de studie verworven of verergerde handicap, en zich toen ook geen chronische ziekte heeft gemanifesteerd, heeft verweerder niet hoeven beoordelen of de opleiding waarvoor eiseres de aanvraag heeft ingediend passender is.
4.5.
Dat de prestatiebeurs van eiseres eerder vanwege medische omstandigheden is omgezet in een gift, betekent niet dat zij daarom ook in aanmerking komt voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om nieuwe aanspraak op studiefinanciering op goede gronden heeft afgewezen.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Attention Deficit Disorder. Tegenwoordig wordt doorgaans gesproken van Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD). De rechtbank sluit in deze uitspraak aan bij de diagnose die eiseres zelf gebruikt, te weten ADD.
Zie de uitspraak de rechtbank Den Haag, van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14998.
Rapport van 19 juni 2024.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2779.
Artikel 4.14, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000.
Rapport van 19 juni 2024.
Volgens DSM-5 criteria.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, van 23 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2483.
Artikel 4.14, derde lid, van de Wsf 2000.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:321.