Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:10765
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5405
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. T.C.A. Hofman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres met betrekking tot haar recht op scholierentegemoetkoming.
1.1.
Bij besluit van 30 oktober 2023 is aan eiseres Tegemoetkoming Scholieren toegekend. Met het besluit van 3 november 2023 heeft verweerder de Tegemoetkoming Scholieren ingetrokken. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is hij daarbij gebleven.
1.2.
Bij besluiten van 29 juli 2024 heeft verweerder besloten dat eiseres recht heeft op Tegemoetkoming Scholieren, en is deze met terugwerkende kracht alsnog verleend.
1.3.
Eiseres heeft de rechtbank laten weten haar beroep te handhaven.
1.4.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 18 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor Tegemoetkoming Scholieren. Op 9 oktober 2023 kreeg eiseres bericht van verweerder dat de tegemoetkoming werd afgewezen, omdat zij niet aan de eisen zou voldoen. Na telefonisch contact tussen partijen, ontving eiseres op 30 oktober 2023 bericht dat zij toch recht had op de tegemoetkoming scholieren. Vervolgens kreeg zij op 3 november 2023 bericht dat de tegemoetkoming ten onrechte was toegekend en is de Tegemoetkoming Scholieren weer ingetrokken. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres een vluchteling uit Oekraïne is en op haar verblijfsvergunning de aantekening ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ staat vermeld, zodat zij geen recht heeft op Tegemoetkoming Scholieren. Het bezwaar tegen die afwijzing is door verweerder kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres zou voorafgaand aan haar huidige verblijfsvergunning een vergunning op grond van titel 46 (Tijdelijke richtlijn bescherming Oekraïners) hebben gehad, wat betekent dat zij geen recht heeft op Tegemoetkoming Scholieren.
2.1.
Bij besluiten van 29 juli 2024 heeft verweerder besloten dat eiseres wel recht heeft op Tegemoetkoming Scholieren en heeft hij deze met terugwerkende kracht toegekend per november 2023. Verweerder heeft aangegeven dat dit is gebeurd vanwege voortschrijdend inzicht als gevolg van een wijziging in de regelgeving waardoor de opvatting van verweerder met betrekking tot titel 46 is veranderd. Sindsdien zou verweerder titel 46 niet meer aanmerken als verblijfsvergunning. Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres verblijft sinds 2016 in Nederland en heeft een verblijfsvergunning op grond van niet tijdelijke humanitaire gronden. Dat is haar eerste en enige verblijfsvergunning. Dat zij daaraan voorafgaand verblijf zou hebben gehad op grond van titel 46 is onjuist, en berust op een fout. Zij is pas met het bestreden besluit ervan op de hoogte geraakt dat dit de reden is waarom zij volgens verweerder geen recht heeft op Tegemoetkoming Scholieren.
3.1.
Hoewel aan eiseres inmiddels met terugwerkende kracht de tegemoetkoming is verleend, handhaaft zij haar beroep vanwege de gevolgen die de onjuiste besluitvorming met zich heeft gebracht. Zij verzoekt om immateriële schadevergoeding, omdat zij veel stress heeft ondervonden als gevolg van de procedure en omdat zij niet eerder heeft ontvangen waar zij recht op had. Zij had de Tegemoetkoming Scholieren destijds goed kunnen gebruiken om haar gezin wat te kunnen ontlasten nu haar ouders vanwege hun verblijfsstatus niet mochten werken. Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De bestuursrechter kan op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van het onrechtmatige besluit. Om in aanmerking te komen voor schadevergoeding moet er in de eerste plaats dan ook sprake zijn van een onrechtmatig besluit. Als de rechtbank vaststelt dat sprake is van een onrechtmatig besluit, zal zij moeten beoordelen of de gestelde schade als gevolg van het onrechtmatige besluit voor vergoeding in aanmerking komt.
Is er sprake van een onrechtmatig besluit?
4.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit niet ingetrokken. Hij heeft op 29 juli 2024 twee nieuwe besluiten genomen, waarmee inhoudelijk gezien aan eiseres tegemoet is gekomen. Anders dan hij eerder schriftelijk heeft betoogt, heeft verweerder op zitting verklaard dat met die besluiten is aangesloten bij wat al langer de uitvoeringspraktijk was. Door hem werd namelijk al vooruitgelopen op de wijziging in de regelgeving, zodat titel 46 eerder al niet meer werd aangemerkt als verblijfstitel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de toekenning dus niet gebaseerd is op voortschrijdend inzicht naar aanleiding van de gewijzigde regelgeving, maar op basis van de al langer bestaande uitvoeringspraktijk. Verweerder heeft echter niet uitgelegd waarom die uitvoeringspraktijk eerder geen betrekking had op eiseres. De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder op zitting zo dat het voor hem niet duidelijk was dat titel 46 ten grondslag lag aan de intrekking Tegemoetkoming Scholieren, omdat dit niet in het primaire besluit stond vermeld en er in de bezwaarprocedure niet op is gewezen. Het is echter aan verweerder om bij de volledige heroverweging in bezwaar de juistheid van het primaire besluit te toetsen en daarbij alle relevante gegevens te betrekken. Dat heeft verweerder blijkbaar ten onrechte nagelaten. In plaats daarvan heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank acht het bestreden besluit dan ook onrechtmatig. Heeft eiseres recht op (immateriële) schadevergoeding?
5. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om (immateriële) schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Er moet daarom een oorzakelijk verband aanwezig zijn tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
5.1.
Voor immateriële schadevergoeding vanwege geestelijk letsel als gevolg van bijvoorbeeld stress, moeten voldoende concrete gegevens worden aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen. Dat eiseres als gevolg van de besluitvorming door verweerder veel stress heeft ondervonden en de tegemoetkoming destijds haar gezin had kunnen verlichten is begrijpelijk, maar onvoldoende concreet gemaakt om in aanmerking te komen voor immateriële schadevergoeding. Wel wil de rechtbank eiseres complimenten maken voor haar doorzettingsvermogen en de wijze waarop zij deze procedure heeft gevoerd, waardoor zij uiteindelijk haar doel heeft bereikt.
5.2.
Verweerder heeft op zitting aangegeven dat eiseres aanspraak kan maken op een materiele schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente over het eerder niet toegekende bedrag aan Tegemoetkoming Scholieren. Dat bedrag komt neer op € 67,72. De rechtbank draagt verweerder dan ook op dit bedrag aan schadevergoeding aan eiseres uit te keren.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat dat deze uitspraak in de plaats daarvan treedt. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen, nu vast is komen te staan dat de inhoud daarvan onjuist is, of in ieder geval achterhaald is. Dat betekent dat het besluit van 30 oktober 2023 waarmee aan eiseres de Tegemoetkoming Scholieren is toegekend herleeft, zoals feitelijk al met de besluiten van 29 juli 2024 is bewerkstelligd.
6.1.
Eiseres is vrijgesteld van het griffierecht. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het bestreden besluit;
draagt verweerder op tot het betalen van een schadevergoeding ter grootte van € 67,72.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12393.
Op grond van artikel 2.2 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) en artikel 3 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Btos).
Artikel 3, eerste lid, sub e en onder 6, van het Btos.
Artikel 8:88, eerste lid, en artikel 8:91 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 13 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2121.