Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:10649
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/12189
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer 1] en
[verzoekster]
, v-nummer: [nummer 2],
mede namens hun minderjarige kind,
[naam kind]
, v-nummer: [nummer 3],
samen: verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
1.2.
De minister heeft op 25 april 2025 aan verzoekers meegedeeld hij voornemens is de asielaanvragen van verzoekers buiten behandeling te stellen.
1.3.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Verder hebben zij de voorzieningenrechter op 10 juni 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De minister heeft hierop gereageerd op 10 juni 2025. Daarop hebben verzoekers gereageerd op 11 juni 2025.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed”, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft aan het voornemen om de asielaanvragen van verzoekers buiten behandeling te stellen ten grondslag gelegd dat het verblijfsrecht van verzoekers niet beoordeeld kan worden. Dit omdat verzoekers zich niet hebben gemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Voorts heeft de minister aan verzoekers medegedeeld dat zij zich binnen vier weken kunnen melden bij de IND en dat het voornemen dan wordt ingetrokken. Bij brief van 30 mei 2025 heeft de minister aan verzoekers voorgesteld om zich binnen twee weken te melden bij loket Oekraïne in Amsterdam.
4. Verzoekers hebben bij verzoekschrift van 10 juni 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter begrijpt uit de gronden dat verzoekers een verzoek hebben ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen de buiten behandeling stelling van hun asielaanvragen en de verplichting – zoals verzoekers stellen – om zich te melden bij het loket in Amsterdam. Verzoekers hebben verder verzocht om de minister te verplichten binnen een redelijke en wettelijk vastgestelde termijn een gemotiveerd besluit te nemen op hun individuele asielaanvraag.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter volgt de minister in het standpunt dat indien de asielaanvragen van verzoekers buiten behandeling worden gesteld, daartegen een rechtsmiddel open staat, zoals beroep bij de rechtbank. Daarmee is dit geen onomkeerbare situatie. Ook heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat tegen een eventuele dreigende uitzetting met spoed een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend. Die situatie doet zich op dit moment niet voor. Daar komt bij dat de minister bij schrijven van 11 juni 2025 het voornemen om de asielaanvraag van verzoekers buiten behandeling te stellen heeft ingetrokken, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij verwijzingsuitspraak van 2 april 2025 in de zaak van verzoeker prejudiciële vragen heeft gesteld over de verhouding tussen de Richtlijn tijdelijke bescherming en de Procedurerichtlijn. Los van de vraag of er überhaupt nog een besluit of een voornemen tot het buiten behandeling stellen van de asielaanvragen volgt, ziet de voorzieningenrechter te meer geen spoedeisend belang nu er geen buiten behandeling stelling (meer) dreigt en er geen aanleiding is om aan te nemen dat er sprake zou zijn van onomkeerbare gevolgen die onmiddellijke rechterlijke tussenkomst noodzakelijk maken. Bovendien heeft de minister toegezegd dat hij, in afwachting van de prejudiciële vragen, geen nieuwe besluiten zal nemen.
6. Voor zover verzoekers verzoeken om de minister te bewegen tot het sneller nemen van een beslissing, is de voorlopige voorzieningenprocedure niet de juiste procedure, omdat ook daarin geen spoedeisend belang is gelegen.
7. De voorzieningenrechter ziet, in hetgeen verzoekers wensen te bereiken, thans geen aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen die moet leiden tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RVS:2025:1473.