Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10593
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,950 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12938
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres,
[eiseres 2]
, v-nummer: [nummer 2], eiseres,
[eiseres 3]
, v-nummer: [nummer 3], eiseres,
[eiseres 4]
, v-nummer: [nummer 4], eiseres,
en
[eiseres 5]
, v-nummer: [nummer 5], eiseres,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en
de minister van Asiel en Migratie.
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Zij hebben op 29 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 maart 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. M.A. Vegter namens de gemachtigde van eisers, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiseres en haar kinderen komen uit de Democratische Republiek Congo en waren dakloos. Eiseres is in haar leven regelmatig verkracht door militairen. Op een dag wilde eiseres samen met een groepje andere daklozen gaan demonstreren om aandacht te vragen voor hun kwetsbare positie. Eiseres is met haar kinderen die met haar zijn meegereisd, opgepakt en vastgezet. De chef van de plek waar eiseres was vastgezet, bleek haar ouders te hebben gekend en omdat zij hem vroeger hadden geholpen, heeft hij eiseres en haar kinderen geholpen het land te verlaten, door documenten en de reis naar Nederland voor hen te regelen.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: (1) de identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) dat eiseres dakloos was en regelmatig werd verkracht door militairen en (3) dat eiseres heeft gedemonstreerd en naar aanleiding daarvan is aangehouden en vastgezet.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig is, maar de door eisers opgegeven identiteit is niet geloofwaardig. De persoonsgegevens van eisers komen namelijk niet overeen met de gegevens uit het visumdossier. Dat eiseres dakloos was en regelmatig werd verkracht door militairen wordt ook niet geloofwaardig geacht, omdat uit het visumdossier blijkt dat eiseres de echtgenote is van [persoon A], een advocaat. Hij is ook de vader van de kinderen van eiseres en om die reden is het niet aannemelijk dat eiseres als dakloze vrouw met haar gezin op straat leefde en in die omstandigheid regelmatig slachtoffer werd van verkrachting. Verder acht de minister ongeloofwaardig dat eiseres heeft gedemonstreerd en naar aanleiding daarvan is aangehouden en vastgezet, omdat de verklaringen van eiseres summier en oppervlakkig zijn en daarnaast heeft eiseres tegenstrijdig verklaard wat betreft het gevangenschap. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Visumdossier
6. Eisers wijzen erop dat zij, in tegenstelling tot de minister, niet beschikken over het betreffende visumdossier dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan het besluit. Op 12 maart 2025 is de minister door eisers uitdrukkelijk verzocht het visumdossier aan eisers te verstrekken, zodat zij in de gelegenheid konden worden gesteld in aanvulling op de zienswijze op de inhoud van dit visumdossier te reageren. De gemachtigde van eisers heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij het visumdossier inmiddels heeft ingezien, maar dat hij het visumdossier niet had voordat het besluit is genomen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. Niet in geschil is dat het visumdossier inmiddels aan het digitale dossier is toegevoegd. Dat het visumdossier ten tijde van het bestreden besluit nog niet in het digitale dossier aanwezig was, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor vernietiging van het besluit. Het visumdossier bestaat uit stukken die eisers in het kader van hun visumaanvraag zelf hebben aangedragen en met de inhoud waarvan kan worden verondersteld dat eisers hiermee bekend waren. Deze omstandigheid onderscheidt dit geval van situaties waarin een besluit is gebaseerd op stukken van derden, zoals een taalanalyse of een rapport van Bureau Documenten en die in het dossier ontbreken.
Hadden de kinderen zelfstandig gehoord moeten worden?
7. Eisers betogen dat de minister op geen enkele wijze de belangen van de kinderen met een individuele beoordeling concreet heeft vastgesteld. De minister heeft daarnaast de kinderen ten onrechte niet gehoord. Het is voor de minister beleid dat (meereizende) kinderen in een gezin in de leeftijd van 15 jaar of ouder een zelfstandige asielaanvraag indienen en dat die kinderen dan ook door de minister worden gehoord. Eisers zien daarom niet in dat de kinderen niet zijn gehoord. De minister stelt in het verweerschrift dat geen zelfstandige asielmotieven zijn aangevoerd namens de minderjarige kinderen, maar het is juist de bedoeling van het horen van de kinderen dat deze motieven en andere relevante omstandigheden inzichtelijk worden. Eiseres heeft er in haar gehoor op gewezen dat [persoon B] net een hartoperatie heeft gehad. De gemachtigde van eisers geeft tijdens de zitting aan dat de minister daarom aanleiding had moeten zien om [persoon B] hierover te horen. Het is niet de ouder die voor het kind moet bepalen of hij of zij gehoord wil worden, maar het is aan het kind zelf die over de mogelijkheid tot horen moet worden geïnformeerd. Eisers beroepen zich in dit geval op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juli 2024 waarin de rechtbank oordeelde dat het beleid om aan meereizende kinderen tussen de 12 en 15 jaar in principe geen gehoor aan te bieden, in strijd is met artikel 12 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding had hoeven zien om de minderjarige kinderen te horen. Eisers hebben namelijk geen zelfstandige asielaanvraag ingediend. De verwijzing naar paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 treft daarom geen doel. Daarnaast is eiseres er tijdens haar aanmeldgehoor uitdrukkelijk op gewezen dat haar kinderen tussen 12 en 15 jaar zelfstandig gehoord kunnen worden en is zij er op gewezen dat zij die mogelijkheid kan overleggen met haar advocaat. Dat eiseres hier vervolgens niet op terugkomt en pas in beroep stelt dat haar kinderen een afzonderlijk gehoor moeten krijgen, maakt de besluitvorming niet onzorgvuldig. Dit geldt temeer nu eiseres in haar gehoor niet heeft aangegeven dat haar kinderen een zelfstandige asielaanvraag willen doen of eigen asielmotieven hebben. De verwijzing naar het arrest K en L. leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat desbetreffende zaak gaat over opvolgende aanvragen van Iraakse minderjarige zussen die zelfstandige asielmotieven in de opvolgende asielprocedure hebben aangevoerd en zijn verwesterd vanwege langdurig verblijf in Nederland. Verder merkt de minister niet ten onrechte op dat de belangen van de kinderen in het bijzonder relevant zijn in het kader van een ambtshalve toetsing bij de beoordeling van het verlenen van een verblijfsvergunning. Het gehoor in het kader van asielmotieven is daarvoor echter niet bedoeld. De door eisers aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juli 2024 maakt het oordeel daarom niet anders.
Had de ambtshalve toets moeten leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op reguliere gronden?
8. Eisers betogen dat de minister ten onrechte niet ambtshalve heeft beoordeeld of zij in aanmerking komen voor een regulier verblijfsrecht en dit had de minister gelet op de medische situatie van de oudste dochter wel moeten doen. Volgens eisers verliest de minister de toetsingsvolgorde uit het oog, door de besluitvorming op grond van artikel 3.6a van het Vb 2000 uit te stellen tot een moment in de toekomst. De minister had de besluitvorming in afwachting van het BMA-advies moeten aanhouden en niet nu al moeten bepalen dat eisers niet voor een reguliere verblijfsvergunning in aanmerking komen. Tot slot heeft de minister de bevoegdheid een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van schrijnende omstandigheden.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Berendsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eisers wijzen ter onderbouwing op artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 12, eerste en tweede lid, van het IVRK, het VN-Kinderrechtencomité, General Comment 12, artikel 24, eerste lid, van het Handvest en HvJ 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487 (K en L), par. 79 en 84.
Eisers wijzen ter onderbouwing op paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
NL24.22250, NL24.22251, NL24.22252 en NL24.22253 (niet gepubliceerd).
Aanmeldgehoor van 13 augustus 2023, p. 11.
De rechtbank ziet steun in de uitspraak Rb. Den Haag (zp Arnhem) 28 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11422, r.o. 9.1.
Eisers verwijzen ter onderbouwing op de artikelen 3.6a, eerste lid, 3.6b en 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en WI 2020/16.
Eisers wijzen ter onderbouwing op artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 en Kamerstukken II, 2018/19, 19637, nr. 2459.
Op grond van artikel 64, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Paragraaf B8/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Paragraaf 3.4 van IB 2019/81.
Paragraaf 3.4.2 van IB 2019/81 en paragraaf B11/2.5 van de Vc 2000.