Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10512
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,065 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/677761 / FT RK 24/1143
vonnis van 17 februari 2025
in de zaak van
[naam 1]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: de heer [naam 1] ,
tegen
[bedrijfsnaam] B.V., vertegenwoordigd door Vesting Finance,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: [bedrijfsnaam] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft de heer [naam 1] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Feiten
1.1.
De heer [naam 1] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 22.126,19 aan 8 schuldeisers. Het is de heer [naam 1] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft hij voor het laatst op 26 maart 2024 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 8,19% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 4,095%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
[bedrijfsnaam] is niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] heeft een schuld aan [bedrijfsnaam] van € 10.352,57, dat is 46,79% van de totale schuldenlast.
1.3.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam 1] op 24 december 2024 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank [bedrijfsnaam] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Procesverloop
2.1.
De verzoeken van de heer [naam 1] zijn behandeld op de zitting van 3 februari 2025. Op deze zitting verschenen:
- de heer [naam 1] ,
- [naam 2] en [naam 3] , schuldhulpverleners van de gemeente Den Haag,
- mr. H.H.M. Meijroos, namens [bedrijfsnaam] .
3Standpunten van partijen
3.1.
De heer [naam 1] stelt dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam] het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
[bedrijfsnaam] voert verweer en verzoekt het dwangakkoord af te wijzen. Zij stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om de volgende redenen. In het minnelijk traject is geen volledige openheid van zaken gegeven: het is onduidelijk wat de heer [naam 1] met het van [bedrijfsnaam] geleende bedrag heeft gedaan en evenmin is duidelijk wat er met de verpande activa en vorderingen is gebeurd. Daar komt bij dat de schulden van de heer [naam 1] , wat [bedrijfsnaam] betreft, niet te goeder trouw zijn ontstaan en/of onbetaald zijn gelaten.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank zal het verzoek van de heer [naam 1] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat [bedrijfsnaam] weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling is niet op de juiste wijze uitgevoerd door de bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat het voorstel is getoetst door een daartoe bevoegde partij. De rechtbank stelt daarentegen vast dat de schuldbemiddeling niet op de juiste wijze is uitgevoerd, omdat onvoldoende openheid van zaken is gegeven over de financiële situatie van de heer [naam 1] . De heer [naam 1] heeft ter zitting namelijk verteld dat hij maandelijks een totaalbedrag van ongeveer € 400,00 aan kinderalimentatie betaalt voor zijn twee kinderen die in de Verenigde Staten van Amerika wonen. Dit was niet vermeld aan de schuldeisers en stond ook niet in het aan de rechtbank aangeboden verzoek. De schuldbemiddeling is daarmee niet zorgvuldig en op de juiste wijze uitgevoerd. Het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord dient om deze reden te worden afgewezen. Het is de rechtbank overigens onduidelijk op welke wijze de alimentatie wordt betaald, want in het verzoekschrift wordt niet over een alimentatieverplichting gesproken en wordt het maandelijks verschuldigde bedrag niet genoemd. In de bij het verzoekschrift overgelegde berekening van het vrij te laten bedrag is evenmin rekening gehouden met een alimentatieverplichting.
4.4.
Bovendien is onvoldoende duidelijk of het voorstel dat de heer [naam 1] aan zijn schuldeisers heeft gedaan het maximaal haalbare is. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener aangevoerd dat een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie, hetgeen gebruikelijk is bij een verzoek als het onderhavige, in het geval van de heer [naam 1] niet mogelijk is, nu zijn kinderen niet in Nederland wonen. De heer [naam 1] is dan ook verplicht de alimentatie te blijven voldoen. Deze stelling van de schuldhulpverlening is echter door de schuldhulpverlening niet nader schriftelijk, of ter zitting mondeling, onderbouwd. Voor de schuldeisers is dit punt evenwel van groot belang, omdat er, wanneer de heer [naam 1] geen alimentatieverplichting zou hebben (of de alimentatie of nihil zou zijn gesteld), een hogere aflossingscapaciteit zou zijn.
4.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende openheid van zaken is gegeven in de financiële situatie van de heer [naam 1] , waardoor onvoldoende duidelijk is geworden of het voorliggende voorstel het uiterst haalbare is waartoe de heer [naam 1] in staat moet worden geacht.
4.6.
Op grond van het voorstaande wordt het verzoek om [bedrijfsnaam] te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling afgewezen.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.7.
De heer [naam 1] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in samenwerking met M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan verzoeker gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en verzoeker tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).