Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:10387
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,754 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J.A. Crijnen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn
(gemachtigden: R.M. Klerks en M. van der Houwen ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van een bouwvergunning. Eiser is het hiermee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de vergunning
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning niet had mogen intrekken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft bij besluit van 4 mei 2023 besloten om een in 1981 verleende bouwvergunning in te trekken. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner, zijn gemachtigde en [naam] en de gemachtigden van het college.
Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit
3. Aan de vader van eiser is op 1 mei 1981 een vergunning verleend voor de bouw van een woonhuis op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Er is toen alleen een fundering gelegd. Nadat de bouw in de daaropvolgende jaren niet is voortgezet, heeft het college bij brief van 14 juli 1987 een termijn van een jaar gesteld voor het gebruikmaken van de vergunning. Hoewel de bouw niet verder is voortgezet zijn er geen verdere maatregelen meer genomen ten aanzien van de vergunning.
3.1.
Eiser heeft op 14 oktober 2021 aan het college kenbaar gemaakt dat hij de vergunning van zijn vader wil overnemen. Het college heeft eiser op 3 november 2021 telefonisch laten weten dat het niet wenselijk is dat er in 2021 een woning wordt opgericht die niet voldoet aan de hedendaagse bouweisen. Nadat eiser aangaf dat hij de woning wil bouwen in overeenstemming met de moderne technische bouweisen, heeft het college hem erop gewezen dat voor het afwijken van de in 1981 verleende vergunning een aanvraag voor een omgevingsvergunning moest worden ingediend.
3.2.
Het college heeft de overname van de vergunning op 18 november 2021 schriftelijk bevestigd en eiser medegedeeld dat er geen nieuwe vergunning hoeft te worden aangevraagd. Wel moet eiser geactualiseerde bouwtekeningen aanleveren waaruit blijkt hoe de vergunde woning in overeenstemming met de eisen van het geldende Bouwbesluit zal worden gerealiseerd.
3.3.
Vervolgens heeft er vanaf eind 2021 veelvuldig correspondentie plaatsgevonden tussen het college en eiser over het actualiseren van de bouwtekeningen en de mogelijke noodzaak van het aanvragen van een nieuwe omgevingsvergunning. In die periode is er bij het college, zo begrijpt de rechtbank, ook onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de op te richten woning als burgerwoning of agrarische bedrijfswoning zal worden opgericht. Eiser wenste voor de beoordeling daarvan niet deel te nemen aan een onderzoek van de Agrarische beoordelingscommissie (ABC). Zonder onderzoek van ABC kon de aanvraagprocedure volgens het college niet worden voortgezet. Op 14 april 2023 heeft eiser het college laten weten dat hij de nieuwe aanvraag voor de omgevingsvergunning wilde intrekken, klaarblijkelijk in de veronderstelling dat hij de oude vergunning nog kon uitvoeren. Het college heeft vervolgens op 4 mei 2023 de vergunning ingetrokken.
Beoordeling
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de vergunning voor die datum is ingetrokken, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Mocht het college de vergunning intrekken?
5. Eiser vindt dat het college de vergunning niet had mogen intrekken en stelt onder meer dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Eiser voert daartoe aan dat hij pas is overgegaan tot de verkoop van zijn voormalige woonhuis nadat hij de zekerheid had dat de vergunning voor hem was gaan gelden. Bovendien is hem door een medewerker van de gemeente toegezegd dat hij, als hij de aanvraag om een nieuwe vergunning zou intrekken, in ieder geval op basis van de oude nog een woning mocht bouwen. Op dit moment wonen eiser en zijn partner in een schuur. Het niet mogen uitvoeren van de vergunning levert eiser ook veel financiële schade op. Eiser had zelf ook als doel om een woning te realiseren die aan de moderne technische bouweisen zou voldoen.
6. Het college stelt zich op het standpunt dat het ondenkbaar is dat een vergunning na een periode van 40 jaar ongewijzigd in stand kan blijven. Het college betwist dat er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser. Uit het dossier blijkt dat er is meegedacht met eiser over de mogelijkheden om op de locatie [adres] alsnog een woning op te richten, maar dat eiser gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijnen heeft aangeleverd. Het college stelt nooit het vertrouwen te hebben gewekt dat de nieuwe omgevingsvergunning zou worden verleend of dat de oude vergunning niet zou worden ingetrokken.
7. Uit de Wabo volgt dat het college een omgevingsvergunning voor bouwen kan intrekken als niet binnen 26 weken na het verlenen van de vergunning bouwwerkzaamheden zijn verricht. Uit vaste rechtspraak volgt dat de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid van het college is. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De rechter toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
7.1.
De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle betrokken belangen moeten worden meegenomen en tegen elkaar afgewogen. Tot die belangen behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij moet worden meegewogen of het niet tijdig gebruikmaken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak maar zeer ten dele het geval. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het college heeft bij de bevestiging van de overname van de vergunning aan eiser schriftelijk laten weten dat hij gebruik kon maken van de oude vergunning, mits hij middels geactualiseerde bouwtekeningen kon aantonen hoe de vergunde woning in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012 zou worden gerealiseerd. Partijen zijn in de daaropvolgende periode steeds in gesprek geweest over de wijze waarop de woning zou kunnen worden verwezenlijkt. Zij waren het er beide over eens dat bouwen zonder de noodzakelijke moderniseringen in ieder geval geen wenselijke optie was. Voor zover op grond van het dossier valt na te gaan, is de mogelijkheid die het college blijkbaar zag om op basis van de vergunning uit 1981 maar met bouwtechnische aanpassingen een woning te realiseren gedurende de verschillende overleggen nooit uitdrukkelijk uitgesloten.
7.3.
Naast deze optie, is ook het bouwen van een aangepast ontwerp op grond van een nieuwe vergunningsaanvraag aan de orde gekomen. Het college heeft hierover op 9 december 2022 aan eiser gecommuniceerd: “Als de aanvraag niet is ingediend vóór 1 januari 2023 zal de vergunning uit 1981 worden ingetrokken. Ik ga er echter vanuit dat de aanvraag zal worden ingediend en de intrekking achterwege kan blijven.”
7.4.
Eiser heeft een vergunningsaanvraag ingediend op 16 december 2022, en dus voor 1 januari 2023, zoals het college hem had gevraagd. Het college heeft aan eiser op 12 april 2023 de volgende mededeling gedaan: “Wat kan is dat u de bestaande vergunning uitvoert. Deze vergunning is (nog) niet ingetrokken.” Vervolgens heeft eiser laten weten dat hij, “om uit de impasse te geraken”, besloten heeft de bestaande vergunning uit te voeren, wat het college – op zich terecht – heeft gezien als een intrekking van de aanvraag. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser op dat moment erop mocht vertrouwen dat de optie om te bouwen op grond van de oude vergunning – met technische aanpassingen om aan de hedendaagse bouweisen te kunnen voldoen – nog steeds op tafel lag, en dat het college hem alsnog een redelijke mogelijkheid zou bieden een woning te realiseren met die vergunning als uitgangspunt. Vanaf het eerste contact dat eiser met het college heeft gehad tot en met de e-mail van 12 april 2023 is die optie immers steeds met eiser besproken, en voor zover uit het dossier kan worden opgemaakt is van de kant van het college nooit onomwonden gezegd dat dat niet langer een mogelijkheid was. Nu eiser vervolgens, direct na de mail van 12 april 2023, op 13 april 2023 (opnieuw) expliciet kenbaar heeft gemaakt aan het college dat hij op basis van de vergunning uit 1981 wilde bouwen, kon het college er niet in redelijkheid toe overgaan zonder nader overleg op 4 mei 2023 de vergunning alsnog in te trekken. Het verweer van het college – dat de betreffende mededeling is gedaan door een hiervoor onbevoegde collega op persoonlijke titel – kan naar oordeel van de rechtbank allerminst slagen. De betrokken mail is gestuurd van af het werkmailadres van de betreffende ambtenaar en deze was gedurende het gehele proces betrokken en voor eiser een van de aanspreekpunten. Gezien het voorgaande kan het feit dat niet tijdig van de vergunning gebruik is gemaakt maar ten dele aan eiser worden toegerekend. Op dit punt zijn zijn belangen, in strijd met het hiervoor onder 7.1 weergegeven kader, onvoldoende meegewogen.
7.5.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder dat eiser onbetwist zijn eigen huis pas heeft verkocht toen het college hem had bevestigd dat de vergunning op zijn naam was overgeschreven. Daarnaast betekent de intrekking van de vergunning, die pas plaatsvond toen eiser de nieuwe aanvraag al had ingetrokken, dat eiser geen concreet zicht heeft op een oplossing voor zijn, op dit moment volgens de gemeente illegale, woonsituatie. Ten slotte heeft het college niet duidelijk kunnen maken welke ruimtelijke bezwaren er (naast de bouwtechnische) zijn tegen de bouw van een woning zoals in 1981 vergund op het perceel van eiser. Met name is niet duidelijk geworden welke belemmeringen die bouw voor de omliggende bedrijven zou betekenen, in aanmerking genomen dat op korte afstand rond het perceel al verschillende percelen met een woonbestemming liggen. Ook deze omstandigheden zijn onvoldoende betrokken in de belangenafweging.
7.6.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen, omdat het in de eerste plaats op de weg van het college ligt om de hiervoor onder 7.1 bedoelde belangenafweging te verrichten. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 6 oktober 2023;
draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3642.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:213.