Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:10371
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,535 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 24 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdoulah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Liberiaanse nationaliteit te hebben. Hij is sinds 10 september 1994 in Nederland. Op 9 november 1994 is eisers asielaanvraag afgewezen. In bezwaar is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend. Deze vergunning is per 1 april 2001 van rechtswege omgezet naar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Naar aanleiding van de gehoren bij de asielprocedures waren er al twijfels ontstaan over eisers herkomst. Dit is aanleiding geweest voor een taalanalyse.
3. Op 26 augustus 2021 heeft eiser een verzoek om naturalisatie ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser. Verweerder baseert zich daarbij onder meer op de rapporten taalanalyse van 17 februari 2003 en 6 maart 2003 en het individueel ambtsbericht (waarin staat dat de door eiser overgelegde documenten Liberiaanse identiteitskaart met nummer [nummer 1] , de geboorteakte met nummer [nummer 2] en het (Liberiaanse) rijbewijs allen niet authentiek zijn). Eiser heeft de gestelde twijfels aan zijn identiteit en nationaliteit niet weggenomen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser meent dat hem als asielzoeker niet om documenten uit het land van herkomst kan worden gevraagd. In de toelichting op artikel 7 van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding) worden omstandigheden genoemd waarin asielgerechtigden en/of staatlozen in beginsel geen vrijstelling wordt verleend voor het overleggen van document. Van deze omstandigheden is geen sprake, eiser moet daarom worden vrijgesteld van het overleggen van documenten.
4.1.
Volgens eiser is er ook geen sprake van twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit. Hij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Rechtbank Roermond ten aanzien van het intrekken van zijn asielvergunning. Uit deze uitspraak volgt dat er geen twijfel is aan zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder gaat er in die zaak namelijk vanuit dat eiser de Liberiaanse nationaliteit heeft.
4.2.
De geboorteakte die eiser in bezwaar heeft overgelegd is door Bureau Documenten authentiek bevonden. Er is een nieuwe geboorteakte aangevraagd omdat zijn oude niet meer kon worden gevonden. De oude geboorteakte heeft niet ten grondslag gelegen aan de registratie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In paragraaf 3.5.1 van de toelichting op artikel 7 van de Handleiding staat vermeld dat, ook als een vreemdeling is vrijgesteld van het documentenvereiste, gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden kan vormen voor afwijzing van het naturalisatieverzoek. Volgens deze paragraaf kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit onder meer bestaan op grond van een taalanalyse, een documentonderzoek of de inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de vreemdeling. Eisers standpunt dat hem, met zijn asielstatus, niet om documenten uit zijn land van herkomst kan worden gevraagd volgt de rechtbank niet. Van hem kan verlangd worden om, indien sprake is van gerede twijfel, die twijfel weg te nemen.
6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van gerede twijfel aan de identiteit en nationaliteit van eiser en of eiser die twijfel heeft weggenomen.
Heeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is van twijfel aan de identiteit en nationaliteit van eiser?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij verweerder geen twijfel over zijn identiteit en nationaliteit bestaat. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Roermond waarin staat dat verweerder ‘uitgaat van de Liberiaanse nationaliteit’. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In een naturalisatieprocedure heeft verweerder een eigen onderzoeksplicht en is niet gebonden aan overwegingen en beslissingen in eerdere procedures over de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit.
8. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er gerede twijfel is aan eisers identiteit en nationaliteit op grond van de in de asielprocedure ingebrachte documenten die niet authentiek zijn volgens het individueel ambtsbericht en gelet op de gehoren in de asielprocedure en dat de twijfel met name is gebaseerd op het rapport van de taalanalyse van 17 februari 2003. In dit rapport staat dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Liberia. Het rapport geeft dus aanleiding voor twijfel of eiser, zoals hij stelt, uit Liberia komt. Eiser heeft geen contra-advies overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van twijfel over eisers identiteit en nationaliteit.
Is de twijfel met de overgelegde documenten weggenomen?
9. Het is vervolgens de vraag of eiser de gerezen twijfel met de door hem overgelegde documenten voldoende heeft weggenomen en buiten twijfel uit deze documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn.
10. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd die de twijfel kunnen wegnemen. Verweerder heeft geen waarde hoeven hechten aan de in deze procedure overgelegde geboorteakten. Eisers broer heeft met eisers oude geboorteakte, afgegeven op 20 september 2005, een nieuwe geboorteakte voor eiser aangevraagd. Eiser heeft eerder verklaard dat die oude geboorteakte is aangevraagd met de in de asielprocedure overgelegde geboorteakte met nr. [nummer 3] . Volgens het individueel ambtsbericht is laatstgenoemde geboorteakte niet authentiek. De geboorteakte van 20 september 2005 is dus afgegeven op grond van het niet-authentiek bevonden geboortebewijs en deze akte (die van 20 september 2005) lag bij het aanvragen van de geboorteaktes in deze procedure ten grondslag. Daarnaast stelt verweerder terecht dat ook geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. De akte is niet in persoon aangevraagd, de afgevende heeft niet geverifieerd of eiser is die hij stelt te zijn en de akte is niet aan eiser persoonlijk afgegeven.
10.1.
Eisers standpunt dat de oude geboorteakte niet ten grondslag heeft gelegen aan de registratie slaagt niet. Verweerder heeft kunnen verwijzen naar het gehoor dat heeft plaatsgevonden op 23 april 2024, waarin eiser heeft verklaard dat zijn broer met de oude geboorteakte een nieuwe heeft aangevraagd.
11. Op zitting heeft eiser nog gesteld dat hij naar Liberia is afgereisd om een paspoort aan te vragen, maar dat deze hem is geweigerd omdat hij te lang uit Liberia is weggeweest. Dit is evenwel niet onderbouwd en onvoldoende om de twijfel verder weg te nemen.
12. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser geen documenten heeft overgelegd die de twijfel heeft weggenomen. Verweerder heeft het verzoek van eiser tot naturalisatie daarom mogen afwijzen.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers verzoek tot naturalisatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 22 februari 2007 (AWB 06/12207).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4642.
Volgens het rapport van gehoor van 16 november 2005.