Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:10369
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,815 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7246
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Spanje), eiser,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift op grond van een structurele medische omstandigheid.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft via een videoverbinding deelgenomen. De gemachtigde van verweerder was aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 1 juli 2023 verweerder verzocht om zijn prestatiebeurs om te zetten naar een gift op grond van een medische structurele omstandigheid.
2.1.
Aangezien de onderwijsinstelling niet meer bestaat heeft verweerder aanleiding gezien om de medische omstandigheid van eiser voor te leggen aan een medisch adviseur van DUO. De medisch adviseur heeft vastgesteld dat sprake is van een structurele medische omstandigheid. Hij heeft echter niet kunnen vaststellen dat eiser hierdoor niet in staat is geweest om binnen de diplomatermijn zijn opleiding af te ronden met een afsluitend diploma. Door gebrek aan medische gegevens van voor 2015 kan volgens de medisch adviseur niet meer worden vastgesteld dat eisers klachten zodanig waren dat hij niet in staat was om een opleiding binnen de diplomatermijn af te ronden.
2.2.
Gelet hierop heeft verweerder aanleiding gezien om het verzoek van eiser af te wijzen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is door een structurele bijzondere omstandigheid niet in staat geweest om binnen de diplomatermijn zijn diploma te behalen. Eiser stelt dat hij al sinds zijn kindertijd last heeft van aan ADHD gerelateerde klachten, dus ook tijdens zijn studieperiode vanaf 2007 en tijdens de periode van zijn diagnose in 2015. Dit volgt uit het onderzoek van ADHD Centraal van 15 januari 2015. Met dit onderzoek wordt eveneens aangetoond dat hij voor 2015, in zijn kindertijd, wel klachten heeft ervaren als aandachttekort en hyperactiviteit.
Wat zijn de regels?
4. Artikel 5:16, derde en vijfde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidt:
3. Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
4. (….)
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in dit soort zaken volgt dat naar het oordeel van de wetgever de ruim gestelde diplomatermijn van tien jaar slechts bij hoge uitzondering niet toereikend zal zijn om met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te behalen. De omzetting van de prestatiebeurs in een gift is slechts bedoeld voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden en het is aan de student om de relevante gegevens aan te leveren. In het geval de student een beroep doet op bijzondere omstandigheden die van medische aard zijn, dan dient hij zowel een verklaring van de onderwijsinstelling als een verklaring van een arts over te leggen. Uit beide verklaringen moeten blijken dat is voldaan aan de voorwaarden voor omzetting. Het is niet aan verweerder om te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Verweerder moet wel bezien of de verklaringen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en of deze inzichtelijk en consistent zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen enkel ter discussie staat of er sprake is van een structurele medische omstandigheid waardoor eiser niet in staat was om binnen de diplomatermijn een afsluitend diploma te behalen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van het advies van de medisch adviseur van 19 juni 2024. De adviseur heeft zijn advies gebaseerd op gegevens verstrekt door eisers behandelaars, waaronder informatie van 13 januari 2015 en 15 september 2015. Het door de medisch adviseur gegeven advies is consistent doordat het aansluit bij de diagnose en de ontwikkelingen in eisers behandeling. Daarbij heeft de medisch adviseur zich gebaseerd op de gegevens uit 2015 omdat eerdere diagnostiek ontbreekt.
5.2.
Uit de rapportage van de medisch adviseur volgt dat bij eiser begin 2015 een GAF-score is vastgesteld van 50, wat duidt op ernstige symptomen of ernstige beperkingen in sociaal functioneren, op het werk of op school. Bij de afsluiting van de behandeling in juli 2015 is bij eiser een GAF-score van 80 vastgesteld, als er symptomen optreden, zijn deze van voorbijgaande aard, te verwachten reacties op psychosociale stress, slechts beperkte hinder in sociale omgang, op het werk of op school. Aangezien er geen gegevens zijn die op iets anders wijzen neemt de medisch adviseur aan dat uit het gegeven dat eiser in 2015 werd gezien voor diagnostiek en behandeling van ADHD afgeleid kan worden dat hij voor die tijd niet gediagnostiseerd en behandeld is. Vanuit dat perspectief is het volgens de medisch adviseur niet te verklaren dat eiser binnen de bevraagde periode niet in staat zou zijn geweest om een afsluitend diploma te behalen. De medisch adviseur ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het klachtenniveau bij aanvang van de diagnostiek en behandeling in 2015 gedurende de gehele diplomaperiode op dat niveau aanwezig is geweest. Er zijn immers geen aanknopingspunten dat bij voortduring sprake is geweest van ernstige beperkingen in sociaal functioneren, op het werk of op school. Ondanks het bestaan van een structurele medische omstandigheid kan volgens de medisch adviseur niet geconcludeerd worden dat eiser niet in staat was om binnen de diplomatermijn een afsluitend diploma te behalen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om deze conclusie, die onderbouwd en navolgbaar is, onjuist te achten. Wat betreft het onderzoek van ADHD Centraal 13 januari 2015 merkt de rechtbank op dat de medisch adviseur deze informatie heeft bestudeerd en meegenomen in zijn beoordeling en dat dit niet tot een ander advies heeft geleid. Aan hetgeen opgenomen is in dit onderzoek kan dan ook niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan gehecht wenst te zien.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen causaal verband is tussen eisers structurele medische omstandigheid en het niet binnen de diplomatermijn kunnen behalen van een afsluitend diploma. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser stelt te zijn gehinderd bij het volgen van zijn opleiding door zijn klachten, is die omstandigheid op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het voor hem als gevolg van zijn klachten in het geheel niet mogelijk was om de opleiding binnen de diplomatermijn af te ronden.
5.4.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van de hardheidsclausule. Zoals volgt het uit bovenstaande kan slechts bij hoge uitzondering geconcludeerd worden dat de diplomatermijn niet toereikend is om met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te behalen. Mede gelet op de beschikbare medische informatie en omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die optreden als gevolg van het bestreden besluit, is evenmin gebleken dat de toepassing van de wet in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781.
De GAF-score (Global Assessment of Functioning) is een maat waarmee het psychisch, sociaal en beroepsmatig functioneren van een personen wordt aangeduid in de vorm van een score tussen 0 en 100. Het is onderdeel van het DSM-IV-systeem.
Artikel 11.5 van de Wsf 2000.