Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:10362
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,834 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6801
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde].
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om een schuld van eiser bij [bedrijfsnaam 1] over te nemen.
1.1.
Met de primaire besluiten van 2 februari 2023, 16 februari 2023 en 20 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiser deels over te nemen. Met het bestreden besluit van 27 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben te kennen gegeven niet aanwezig te zijn bij de zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiser heeft verzocht om overname van meerdere private schulden. Een deel van deze schulden is niet overgenomen door verweerder, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
2.2.
Deze zaak gaat enkel nog over de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de schuld van eiser bij [bedrijfsnaam 1] van € 35.816 over te nemen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat de schuld bij [bedrijfsnaam 1] , waarbij hij airco’s heeft aangekocht met zijn eenmanszaak, moet worden overgenomen door de SBN. Dat hij na het ontstaan van deze schuld zaken is gaan doen met zijn besloten vennootschap (B.V.) en de schuld is meegenomen naar zijn B.V. doet hier niet aan af. Hij is nu al maanden bezig met de SBN om de ontstaansdatum duidelijk te maken. Doordat hij hier veel mee bezig is kan hij zijn leven nog steeds niet verder opbouwen.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schuld bij [bedrijfsnaam 1] terecht niet heeft overgenomen, omdat geen sprake is van een schuld die verhaald kan worden op het privévermogen van een gedupeerde. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
5.1.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat ook privaatrechtelijke zakelijke schulden die voortvloeien uit de in de vorm van een eenmanszaak of een personenvennootschap gedreven onderneming die op het privévermogen van de gedupeerde ouder dan wel zijn of haar toeslagpartner kunnen worden verhaald, kunnen worden overgenomen. Daarmee wordt geprobeerd te voorkomen dat gedupeerde ouders door verhaal op hun privévermogen voor ondernemingsschulden alsnog persoonlijk in de problemen komen. De Memorie van Toelichting noemt expliciet een eenmanszaak of een personenvennootschap omdat deze geen afgescheiden vermogen kennen. Een van de kenmerken van een B.V. is dat het wel een afgescheiden vermogen heeft, waardoor het zakelijke en privévermogen losstaan van elkaar.
5.2.
Uit het dossier blijkt dat [bedrijfsnaam 1] op 15 oktober 2020 een factuur heeft verstuurd voor de levering van 80 airco’s ter waarde van € 35.816. Deze factuur is gestuurd aan [bedrijfsnaam 2] B.V. Op 18 februari 2021 is een sommatiebrief gestuurd aan [bedrijfsnaam 2] B.V., omdat de factuur nog niet was betaald. Vervolgens is op 25 maart 2021 een ingebrekestelling aan de B.V. gestuurd.
5.3.
Hoewel eiser hiervoor in de gelegenheid is gesteld door verweerder, heeft hij niet met bewijsstukken onderbouwd dat de schuld oorspronkelijk is aangegaan door zijn eenmanszaak, WF Zorg, en later is overgedragen aan de B.V. Aangezien eiser dit niet nader heeft onderbouwd (met stukken) kan de rechtbank eiser niet volgen in de stelling dat de schuld als een privéschuld moet worden aangemerkt. Dit nog daargelaten dat op het moment dat een schuld overgaat van een eenmanszaak naar een B.V., deze laatste schuldenaar wordt van de schuld. Vanaf dat moment is de B.V. aansprakelijk voor de schuld en kan eiser als persoon niet meer aansprakelijk worden gesteld.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank daarom van oordeel dat de schuld bij [bedrijfsnaam 1] een zakelijke schuld is en niet voor overname als private schuld in aanmerking komt, omdat deze schuld van de B.V. is. Verder heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat verweerder deze schuld in weerwil van de wettelijke regeling toch moet overnemen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
griffier
de rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 45-46.