Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:10359
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,229 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats] , eiser,
als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter [minderjarige], uit Guinee,
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag om afgifte van een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juli 2023 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Katumbwe, als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. De dochter van eiser is geboren op [datum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] (Guinee). Zij is het kind van eiser (de vader), geboren op [datum 2] 1963 in [geboorteplaats 2] (Guinee) en [de moeder] (de moeder), geboren op [datum 3] 1971 in [geboorteplaats 3] (Guinee). De dochter verkreeg door geboorte de Guinese nationaliteit. De geboorte van de dochter is volgens verweerder verlaat aangegeven door de vader, namelijk op 2 november 2018.
2.1.
Eiser heeft zich op 10 april 2008 gevestigd in Nederland. Op 4 oktober 2019 heeft hij het Nederlanderschap verkregen bij Koninklijk Besluit. In dit Koninklijk Besluit is niet uitdrukkelijk bepaald dat de dochter heeft gedeeld in de naturalisatie van de vader.
2.2.
De moeder bezit de Guinese nationaliteit en heeft het Nederlanderschap nooit verkregen.
2.3.
Eiser heeft op 23 november 2022 bij de Nederlandse ambassade in Dakar (Senegal) een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend voor de dochter. Hierbij heeft hij verschillende documenten overgelegd.
2.4.
Deze documenten heeft verweerder toegezonden aan Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (Bureau Documenten). Uit de Verklaring van Onderzoek van Bureau Documenten van 14 juni 2023 blijkt dat de opmaak en afgifte van het uittreksel huwelijksakte afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal en hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder stelt dat hij, gelet op het onderzoek van Bureau Documenten naar de huwelijksakte, niet meer is gehouden om het in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Amsterdam geregistreerde huwelijk gesloten tussen eiser en de moeder van 17 maart 1996 in Conakry (Guinee) te gebruiken in het kader van de paspoortprocedure.
2.5.
Eiser heeft de dochter op 10 oktober 2023 opnieuw erkend in Guinee.
2.6.
Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat de dochter niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eisers dochter heeft door erkenning het Nederlanderschap verkregen. Verweerder trekt ten onrechte de conclusie dan wel heeft onvoldoende gemotiveerd dat de verlate geboorteaangifte op 2 november 2018 een rechtshandeling is waarmee hij zijn kinderen naar Guinees recht heeft erkend. De erkenning heeft pas plaatsgevonden met de uitspraak van de rechter in Guinee van 28 juli 2023.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de paspoortaanvraag van de dochter van eiser heeft geweigerd. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
4.1.
Uit artikel 9 van de Paspoortwet volgt dat alleen Nederlanders recht hebben op een Nederlands paspoort. Voor het bepalen van het recht van een belanghebbende op een dergelijk reisdocument, moet dus ook vaststaan dat zij het Nederlanderschap daadwerkelijk bezit. De wetgever hecht een groot belang aan het bevorderen van het behoud van het vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als een bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit. Het verstrekken van Nederlandse reisdocumenten aan personen van wie de nationaliteit niet boven alle twijfel is verheven, ondergraaft het vertrouwen in dergelijke reisdocumenten per definitie. In geval van twijfel over de nationaliteit van de aanvrager van een Nederlands reisdocument kan daarom niet tot verstrekking ervan worden overgegaan.
4.2.
Op de aanvrager rust de bewijslast om voldoende zekerheid te verschaffen over het Nederlanderschap. Als de aanvrager niet in het bewijs slaagt, kan niet tot verstrekking van het paspoort worden overgegaan.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de dochter het Nederlanderschap niet bij geboorte heeft verkregen. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de dochter het Nederlanderschap aan haar Nederlandse vader kan ontlenen door erkenning.
4.4.
Eiser heeft op 2 november 2018 in Guinee het verzoek om verlate geboorteaangifte voor zijn dochter ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek is op 5 november 2018 een rechterlijke uitspraak gedaan en is op 16 november 2018 een uittreksel geboorteakte voor de dochter opgesteld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door het indienen van het verzoek om verlate geboorteaangifte eiser een rechtshandeling heeft verricht waarbij hij de dochter naar Guinees recht heeft erkend. Het ontstaan van deze familierechtelijke betrekking tussen eiser en de dochter wordt in Nederland van rechtswege erkend. Eiser was op het moment van de erkenning nog niet in het bezit van het Nederlanderschap. De erkenning van de dochter heeft dan ook niet geleid tot rechtswege verkrijging van het Nederlanderschap. Dat eiser vervolgens op 10 oktober 2023 de dochter opnieuw heeft erkend in Guinee doet hier niet aan af. Op 5 november 2018 is namelijk al eerder een familierechtelijke betrekking tot stand gekomen, waardoor door deze tweede erkenning geen familierechtelijke betrekking is ontstaan. Dat in de geboorteakte het woord ‘erkennen’ niet voorkomt maakt dit naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders, omdat erkenning in Guinee op meerdere manieren kan plaatsvinden gelet op artikel 147 van de Guinese Code de l’enfant 2019 en artikel 408 van de Guinese Code Civil.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.34, eerste lid en artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet BRP.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1823.
Artikel 4, tweede en vierde lid, van de RWN.
Op grond van artikel 10:101, eerste lid, van het BW in samenhang met artikel 10:100 van het BW.