Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:10284
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18481 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, opposant
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Lavell),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2021 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie
, geopposeerde,
(gemachtigde: mr. M. Lorier).
Inleiding
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2021 waarin de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag ongegrond heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 december 2021 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat opposant niet nader heeft onderbouwd dat hij het voornemen van 5 november 2021 niet heeft ontvangen. Opposant is in de gelegenheid gesteld om het beroepschrift aan te vullen. Echter opposant heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. In zijn verzetschrift voert opposant aan dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verweerschrift van verweerder van 9 december 2021. Daarnaast voert hij aan dat uit het verweerschrift blijkt dat niet verweerder maar de Raad voor de Rechtsbijstand het voornemen aan de gemachtigde van opposant heeft gestuurd. Volgens opposant is hiermee het voornemen niet op deugdelijke wijze bekend gemaakt. Opposant voert verder aan dat hij het voornemen heeft ontvangen in de zogeheten ‘spammap’. Hij trof dit voornemen pas aan na de uitspraak op het beroep.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De gemachtigde van opposant heeft in verzet niet alsnog aangetoond dat het voornemen niet op deugdelijke wijze aan hem bekend is gemaakt. De niet onderbouwde stelling dat het voornemen in de ‘spammap’ is ontvangen is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat de vraag of het voornemen al dan niet op juiste wijze bekend is gemaakt nog niet betekent dat de rechtbank niet tot haar kennelijke oordeel heeft kunnen komen. Opposant heeft namelijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en hij is in de gelegenheid gesteld om daartegen beroepsgronden te richten. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De verzetsgrond van opposant dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het verweerschrift leidt daarom evenmin tot een ander oordeel.
5. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb zonder een zitting heeft mogen afdoen. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 15 december 2021 blijft in stand.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Awb.