Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:10276
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,880 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7305
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigden: mr. J.R. Bekink en W. Mangrey).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres met betrekking tot eiseres inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp).
1.1.
Verweerder heeft het verzoek van eiseres voor inschrijving in de Brp met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen. Met het besluit van 25 juni 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder besloten eiseres met terugwerkende kracht vanaf 8 maart 2024 in de Brp in te schrijven. Op 4 juli 2024 heeft verweerder nog een aanvullend besluit genomen (deels ter verduidelijking).
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Eiseres heeft de ochtend van de zitting per e-mail laten weten dat zij en haar gemachtigde niet verschijnen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 8 maart 2024 een verzoek gedaan tot (her)inschrijving op het adres [adres] in [plaats] (hierna: het adres) per 2 maart 2024. Verweerder heeft dit verzoek in eerste instantie geweigerd, omdat niet was gebleken dat eiseres daadwerkelijk haar hoofdverblijf had in de woning. Eiseres heeft hiertegen een voorlopige voorziening gevraagd en op zitting bij deze rechtbank zijn partijen overeengekomen dat nogmaals huisbezoeken afgelegd zouden worden.
2.1.
Op 18 en 22 juni 2024 hebben nieuwe huisbezoeken plaatsgevonden. Op beide momenten is eiseres, volgens afspraak, voor het raam verschenen. Omdat eiseres zichtbaar op het adres is aangetroffen, in combinatie met de eerder door eiseres aangeleverde bewijzen, was het voor verweerder aannemelijk dat eiseres op het adres verblijft. Het primaire besluit is daarom herzien.
2.2.
Op 8 maart 2024 heeft eiseres in persoon haar verhuisaangifte ingediend. Verweerder heeft eiseres daarom met terugwerkende kracht per die datum in de Brp ingeschreven. Eiseres heeft hier op 1 juli 2024 per e-mail een reactie op gegeven, omdat volgens haar de inschrijfdatum onjuist is. Verweerder heeft eiseres op 4 juli 2024 een brief gestuurd met een reactie hierop. Dit betreft een aanvulling op het besluit van 25 juni 2024.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt dat zij sinds 2 maart 2024 weer op het adres woonachtig is en dat zij per die datum moet worden ingeschreven in de Brp. Verweerders stelling dat burgers alleen in persoon aangifte kunnen doen is onjuist, zo volgt volgens eiseres uit de wetsgeschiedenis. Eiseres citeert uit de Memorie van Toelichting dat veel gemeenten ook al bij wijze van dienstverlening de mogelijkheid biedt om eventueel op elektronische wijze kennis te geven van de voorgenomen adreswijziging. Eiseres heeft op 2 maart 2024 geprobeerd elektronisch aangifte te doen. Door een intern digitaal probleem bij de gemeente is dit niet gelukt, maar daarom moet wel de datum van 2 maart 2024 worden aangehouden. In de Memorie van Toelichting staat dat bij een aangifte van verblijf en adres het uitgangspunt is dat de betrokkene zelf aangifte doet en daartoe in persoon verschijnt. Verweerder verbindt daar volgens eiseres onterecht de conclusie aan dat de datum waarop eiseres aan het loket is verschenen de datum van inschrijving in de Brp moet zijn. Dat strookt immers niet met het openstellen van het doen van elektronische aangiftes. Eiseres heeft op het inschrijfformulier ook aangegeven dat zij vanaf 2 maart 2024 weer op het adres woont.
3.1.
Ten slotte vraagt eiseres zich af of verweerder op de juiste gronden heeft afgezien van de hoorplicht. Verweerder is immers niet volledig aan eiseres bezwaren tegemoet gekomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Nog afgezien van de vraag of eiseres nog procesbelang heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder haar terecht heeft (her)ingeschreven in de Brp. Verweerder heeft dit volgens de rechtbank ook terecht per 8 maart 2024 gedaan.
5. Op grond van artikel 2.19 van de Wet Brp wordt als datum van vestiging van het adres in de gemeente de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen. In artikel 2.38, eerste lid, van de Wet Brp is vervolgens de verplichting opgenomen om bij verweerder in persoon aangifte te doen van het woonadres. Uit artikel 2.19, vierde lid, en artikel 2.20, derde lid, van de Wet Brp volgt echter dat het niet mogelijk is om personen met terugwerkende kracht in te schrijven.
5.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiseres haar aangifte in persoon moest doen, omdat zij eerder was uitgeschreven uit de Brp. Zij is naar aanleiding van haar verzoek om inschrijving op 7 maart 2024 uitgenodigd om de volgende dag aan het loket te verschijnen om zich weer te laten inschrijven. Tussen partijen is ook niet in geschil dat eiseres op 8 maart 2024 in persoon haar verhuisaangifte heeft ingediend. Nu eiseres haar stelling dat zij op 2 maart 2024 heeft getracht digitaal aangifte te doen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, is verweerder terecht van de datum van 8 maart 2024 uitgegaan.
6. Voor zover eiseres een beroep heeft willen doen op het schenden van de hoorplicht, overweegt de rechtbank als volgt. In bezwaar heeft eiseres verzocht om inschrijving in de Brp. Verweerder is aan dit verzoek volledig tegemoetgekomen, nu zij eiseres weer in de Brp heeft ingeschreven. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht, mocht verweerder daarom van horen afzien.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiseres citeert uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219 nr.3, p. 41).