Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10243
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,589 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/4921 en 23/6133
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),
en
het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, het college
(gemachtigde: mr. S. Boot).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[naam 1]
uit [woonplaats] ,
[naam 2] en [naam 3] uit [woonplaats] en
[naam 4] en [naam 5] uit [woonplaats] (gezamenlijk: derde-partijen)
(gemachtigde: mr. F. van der Heijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college om eiser een last onder dwangsom op te leggen. De last houdt in dat hij binnen twee maanden een zeecontainer, bouwmaterialen en afval en een betonnen fundering van zijn perceel aan de [adres 1] (het perceel) moet verwijderen en de brug naar zijn perceel moet minimaliseren tot 25 m2, onder straffe van een dwangsom van € 20.000,- ineens.
1.1.
Met het besluit van 16 juni 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering en wijziging van de dwangsom naar een bedrag van € 5.000,- ineens voor ieder van de vier overtredingen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op de beschikking van het college van 20 juli 2023 tot invordering van alle vier de dwangsommen.
1.3.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen gevoegd en op 11 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, namens het college [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en de gemachtigde, namens derde-partijen [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en de gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom en de daarop gebaseerde invorderingsbeschikking. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het verzoek om handhaving is gedaan en de last onder dwangsom is opgelegd vóór 1 januari 2024, is op de bestreden besluiten de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
SGR 23/4921 (de last onder dwangsom)
Zeecontainer
6. Het college heeft eiser gelast de op zijn perceel geplaatste zeecontainer te verwijderen, omdat het zonder omgevingsvergunning plaatsen van een zeecontainer, die bedoeld is om blijvend te functioneren als schuur en opslagplaats, een overtreding is van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.
6.1.
Eiser betoogt dat de zeecontainer geen bouwwerk is, omdat hij niet bedoeld is om ter plaatse te functioneren. De zeecontainer wordt gebruikt als opslag voor bouwmaterialen. Na de bouwwerkzaamheden wordt de zeecontainer verwijderd. Omdat de zeecontainer niet is aan te merken als bouwwerk, is het plaatsen daarvan niet vergunningplichtig en is de aanwezigheid daarvan niet in strijd met het bestemmingsplan. Verder is de zeecontainer op 18 januari 2023 verplaatst naar gronden met de bestemming “Wonen”. Daar is volgens eiser in de beslissing op bezwaar ten onrechte niet op ingegaan.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat de zeecontainer is aan te merken als bouwwerk en dat het zonder omgevingsvergunning plaatsen daarvan een overtreding is van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.3.
Het begrip bouwwerk is in de Wabo niet omschreven. Op grond van vaste jurisprudentie kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk aansluiting worden gezocht bij de modelbouwverordening, die een bruikbare omschrijving van het begrip bouwwerk bevat. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".
6.4.
Niet in geschil is dat de zeecontainer een constructie is van enige omvang. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de zeecontainer in dit geval bedoeld is om ter plaatse te functioneren.
6.5.
De zeecontainer stond vanaf begin maart 2022 tot 18 januari 2023 op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden”. Op 18 januari 2023 is de zeecontainer verplaatst (binnen hetzelfde perceel) naar gronden met de bestemming “Wonen”, waar hij ten tijde van de beslissing op bezwaar op 16 juni 2023 nog steeds stond.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de zeecontainer, gelet op deze langdurige aanwezigheid op het perceel van eiser en de bedoeling van eiser om de zeecontainer ter plaatse als opslag voor bouwmaterialen te laten functioneren, een plaatsgebonden karakter. De zeecontainer is daarom aan te merken als bouwwerk. Dat eiser de zeecontainer tussentijds heeft verplaatst, doet aan het plaatsgebonden karakter niet af. De zeecontainer bevond zich immers nog steeds op zijn perceel en eiser had daarmee nog steeds hetzelfde gebruik voor ogen. Anders dan eiser stelt, heeft het college in de beslissing op bezwaar bovendien wel degelijk overwogen dat het plaatsen van de zeecontainer ook niet is toegestaan op gronden met de bestemming “Wonen”.
6.7.
Voor zover eiser bedoeld heeft te betogen dat het plaatsen van de zeecontainer vergunningvrij is, omdat de zeecontainer gebruikt wordt als hulpconstructie die functioneel is voor bouwactiviteiten op het perceel, geldt dat voor de door eiser voorgestane bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is verleend, zodat deze uitzondering op de vergunningplicht niet opgaat.
6.8.
Voor het plaatsen van de zeecontainer is dus een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo vereist. Omdat de zeecontainer niet bij de bestemmingen “Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden” en “Wonen” behoort, is het plaatsen daarvan ook in strijd met het bepaalde in artikel 6.2.1, aanhef en onder a, en artikel 13.2.1, aanhef en onder a, van de planregels. Het zonder omgevingsvergunning plaatsen van de zeecontainer is dus een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, waartegen het college bevoegd was handhavend op te treden.
6.9.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bouwmaterialen en afval
7. Het college heeft eiser gelast de bouwmaterialen en het (bouw)afval van zijn perceel te verwijderen, omdat het op grond van artikel 21, aanhef en onder b en c, van de planregels niet is toegestaan om het perceel als opslagplaats van bouwmaterialen en afval te gebruiken.
7.1.
Eiser betoogt dat hij niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 21 van de planregels, omdat geen sprake is van een opslagplaats van al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten. Als daarvan al sprake is, dan is sprake van een voor het normale op de bestemming gericht gebruik, zodat de in dit artikel genoemde uitzondering opgaat. De bouwmaterialen zijn namelijk bedoeld voor de bouw van een poort. Het gebied waarin het perceel van eiser is gelegen, is bovendien in transitie. Er vinden veel bouwwerkzaamheden plaats. De aanwezigheid van bouwmaterialen is daaraan inherent. Het college heeft tegen de aanwezigheid van bouwmaterialen op het perceel aan de [adres 2] niet handhavend opgetreden. Handhavend optreden tegen eiser is daarom in dit geval onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat eiser in strijd heeft gehandeld met het verbod van artikel 21, aanhef en onder c, van de planregels. Uit de constateringsrapporten van 3 november 2022, 19 januari 2023 en 17 mei 2023 blijkt immers dat op het perceel van eiser voorwerpen en producten (bouwmaterialen) zijn opgeslagen. Anders dan het college, ziet de rechtbank op de foto’s in deze rapporten geen opgeslagen afval. Voor zover het college ter zitting heeft gewezen op de zogenoemde big bags, geldt dat deze gedeeltelijk gevuld waren met zand en grind. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit zand en grind aan te merken is als afval. Van een overtreding van het verbod van artikel 21, aanhef en onder b, van de planregels is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Dat neemt niet weg dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen de opslag van bouwmaterialen op het perceel op grond van onderdeel c van dit artikel. Ook de big bags met zand en grind zijn als voorwerpen of producten als bedoeld in die planregel aan te merken. Het kon voor eiser dus duidelijk zijn dat hij ook de big bags diende te verwijderen. Eiser is daarom door de foutieve kwalificatie als afval niet benadeeld.
7.3.
Voor zover eiser betoogt dat de bouwmaterialen waren bedoeld voor de bouw van de poort, geldt dat dit geen afbreuk doet aan de vaststelling van de overtreding, nu de bouw van de poort niet vergund, laat staan gestart is. Ook andere werkzaamheden op het perceel waren niet vergund.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking blijven in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.3
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
ls tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 4.23
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32b
3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
het bouwen van een bouwwerk,
…
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
20. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd;
Bestemmingsplan “Lint Oude Leede 2”
Artikel 1
bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
Artikel 6 Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden
Artikel 6.2 Bouwregels
Artikel 6.2.1 Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in lid 6.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:
a. Bij de bestemming behorende andere bouwwerken, met een bouwhoogte van niet meer dan 2 m, tenzij het betreft stapmolens, met dien verstande dat langs fietspaden geen verlichting is toegestaan,
Artikel 12 Water
12.2
Bouwregels
12.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
…
De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m².
Artikel 13 Wonen
13.2
Bouwregels
13.2.1
Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in lid 13.1 mogen uitsluitend worden gebouwd woningen, aan- of uitbouwen, bijgebouwen en bij de bestemmingen behorende andere bouwwerken.
Artikel 21 Algemene gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
…
het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gericht gebruik en onderhoud;
als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten,
Artikel 18 Waterstaat – Waterkering
18.3
Aanvullende bepalingen samenvallende bestemmingen
Het bouwen en gebruik krachtens de andere bestemmingen van de gronden als bedoeld in 18.1, mag uitsluitend geschieden:
voorzover de belangen van de waterkering en waterhuishouding dat gedogen;
nadat ter zake advies is ingewonnen bij het Hoogheemraadschap.
Artikel 22 Algemene aanduidingsregels
22.1
Beschermingszone waterkering
Ter plaatse van de aanduiding ‘beschermingszone waterkering’ zijn de gronden primair bestemd voor de waterkering en waterhuishouding. Bouwen ter plaatse van de aanduiding is niet toegestaan, tenzij door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning is verleend en advies hiervoor is gevraagd aan het Hoogheemraadschap.
SGR 23/4921
SGR 23/6133
Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, en artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:389, r.o. 2.1.
Als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 20, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:638.
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 151.
Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2490.
Beoordeling
De bouwmaterialen werden dus niet gebruikt, maar voor langere tijd opgeslagen op het perceel, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 21, aanhef en onder c, van de planregels. Het college was bevoegd om tegen deze overtreding handhavend op te treden.
7.4.
Bij handhavingsbesluiten geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.5.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door tegen eiser wel handhavend op te treden en tegen [naam 2] en [naam 3] (de bewoners van de woning aan de [adres 2] ) niet, heeft [naam 3] ter zitting toegelicht dat zij de bouwmaterialen na een gesprek met de toezichthouder van hun perceel hebben verwijderd. Van een gelijk geval is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
7.6.
Dat het gebied rondom het perceel van eiser in transitie is en er in de omgeving veel gebouwd wordt, betekent – anders dan eiser stelt – niet dat handhaving van het verbod van artikel 21 van de planregels onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Voor het kunnen bouwen van een poort is het immers niet noodzakelijk dat bouwmaterialen al zeer geruime tijd – zelfs nog voordat een omgevingsvergunning daarvoor is aangevraagd – op het perceel aanwezig zijn. Het (algemeen) belang om het planologisch toegestane gebruik op het perceel te handhaven, weegt daarom zwaarder.
7.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onderheide fundering
8. Het college heeft eiser gelast de aan de voorzijde van het perceel aangebrachte onderheide fundering te verwijderen, omdat deze is aan te merken als bouwwerk en het zonder omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk ter plaatse in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.
8.1.
Eiser betoogt dat geen sprake is van een fundering, maar van een onderheide erfverharding, die niet is aan te merken als bouwwerk. Eiser wijst in dit kader op een uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1487, waaruit volgt dat een heipalenfundering voor een erfverharding geen bouwwerk is.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat de onderheide fundering is aan te merken als een bouwwerk. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de fundering is aangelegd met de bedoeling om ter plaatse een carport te bouwen. Deze bedoeling blijkt ook uit de tekening bij de aanvraag om een omgevingsvergunning van 23 februari 2023 (OLO-nummer [nummer] ). Daarop is ter plaatse van de thans aanwezige verharding vermeld “schuur/carpoort”. Van een heipalenfundering voor een erfverharding (zoals aan de orde in de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling) is dus geen sprake. De fundering van de beoogde carport is, gelet op de in overweging 6.3 weergegeven definitie, aan te merken als bouwwerk. Voor het bouwen daarvan is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning vereist.
8.3.
Op de betreffende gronden is gelet op het bestemmingsplan de aanduiding ‘beschermingszone waterkering’ van toepassing. Op grond van artikel 22.1 van de planregels is bouwen ter plaatse van deze aanduiding niet toegestaan, tenzij door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning is verleend en hiervoor advies is gevraagd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. Nu een dergelijke omgevingsvergunning niet is verleend, is de fundering ook aangebracht in strijd met het verbod van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college was bevoegd om tegen deze overtreding handhavend op te treden.
8.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Brug
9. Het college heeft eiser gelast de brug naar het perceel van eiser te minimaliseren tot 25 m2, omdat de huidige oppervlakte van de brug (32 m2) in strijd is met artikel 12.2.2, onder b, van de regels van het bestemmingsplan. Het Hoogheemraadschap van Delfland is bovendien niet akkoord met de hoogte van de brug, waardoor de brug ook in strijd is met artikel 18.3 van de planregels. Voor het afwijken van het bestemmingsplan is geen omgevingsvergunning verleend, zodat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
9.1.
Eiser betoogt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De aangevraagde omgevingsvergunning voor de brug is weliswaar geweigerd en het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard, maar tegen die beslissing op bezwaar is beroep ingesteld. Het weigeringsbesluit is dus nog niet onherroepelijk. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel. In het verweerschrift in de bezwaarprocedure heeft het college namelijk toegezegd dat het college niet zal handhaven voordat het weigeringsbesluit onherroepelijk is.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van concreet zicht op legalisatie van de brug in zijn huidige vorm. De omgevingsvergunningaanvraag was ten tijde van het primaire besluit (op 15 november 2021) immers door het college geweigerd (op 4 november 2021). Ten tijde van het bestreden besluit (op 16 juni 2023) was het bezwaar tegen het weigeringsbesluit al ongegrond verklaard (op 5 april 2023). Voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie is – anders dan eiser veronderstelt – niet voldoende dat het weigeringsbesluit ten tijde van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet kan worden geweigerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij in de uitspraak van heden op het beroep van eiser tegen het weigeringsbesluit (SGR 23/3361) tot het oordeel komt dat het college de omgevingsvergunning voor de brug heeft mogen weigeren.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook niet in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
9.4.
Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging (feitelijk handelen of nalaten) waarop de betrokkene zich beroept. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap.
Beoordeling
In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
9.5.
In het verweerschrift van 13 februari 2023 in de bezwaarprocedure schreef het college:
“Het college zal ten aanzien van dit punt vooralsnog niet overgaan tot handhavend optreden, omdat er op dit moment een bestuursrechtelijke procedure loopt tegen het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren voor het plaatsen van de brug ex artikel 2.1, eerste lid onder a en c van de Wabo. Mocht uiteindelijk blijken dat de geweigerde omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden dan is het college genoodzaakt om alsnog tot handhavend optreden over te gaan. Het college zal ten aanzien van dit punt het bestreden besluit herroepen in de beslissing op het bezwaarschrift.”
9.6.
De begunstigingstermijn van de last onder dwangsom ten aanzien van de brug is gedurende de bezwaarprocedure drie keer verlengd, bij besluiten van 22 december 2022, 7 februari 2023 en 27 februari 2023. In het laatste besluit, dat dateert van ná voornoemd verweerschrift, is de begunstigingstermijn verlengd tot en met 28 maart 2023. De reden voor de verlengingen is, zo blijkt uit de besluiten, dat het college nog geen beslissing heeft genomen op het bezwaar van eiser tegen het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor de brug.
9.7.
Gelet op deze besluiten tot verlenging van de begunstigingstermijn en de daarin genoemde reden van de verlengingen, kan de uitlating van het college in het verweerschrift niet anders worden gelezen dan dat het college niet overgaat tot handhavend optreden zolang nog niet is beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor de brug. In het verweerschrift wordt weliswaar gesproken over het “onherroepelijk worden” van de geweigerde omgevingsvergunning, maar gelet op het daarna genomen besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 28 maart 2023 kon en mocht eiser uit de uitlatingen en gedragingen van het college in samenhang bezien redelijkerwijs niet afleiden dat het college niet zou overgaan tot handhavend optreden indien het weigeringsbesluit in bezwaar in stand zou blijven, maar daartegen beroep zou worden ingesteld. De bestuursrechtelijke procedure waar in het verweerschrift over wordt gesproken, die de aanleiding was voor de toezegging om “vooralsnog” niet te handhaven, betreft immers de op dat moment aanhangige bezwaarprocedure, niet een eventuele (op dat moment nog onzekere) beroepsprocedure.
9.8.
Nu geen sprake is van een toezegging om niet handhavend op te treden nadat is beslist op het bezwaar tegen de weigering van de omgevingsvergunning (stap 1), komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de twee volgende stappen.
9.9.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte dwangsommen
10. Eiser betoogt dat de hoogte van de dwangsommen in het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie volstaat niet, omdat de hoogte van de dwangsommen daarin niet wordt gemotiveerd. De dwangsommen zijn volgens eiser onevenredig hoog, gelet op de zwaarte van de overtredingen.
10.1.
Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb moet de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de hoogte van de dwangsommen deugdelijk gemotiveerd. Anders dan eiser stelt, wordt in het bestreden besluit terecht overwogen dat uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt dat de hoogte van de dwangsom per overtreding niet onredelijk is. In het advies wordt immers overwogen:
“De commissie volgt het college in zijn stelling tot het splitsen van de dwangsom in vier gedeelten, te weten € 5.000,- per geconstateerde overtreding. Hiermee gaat per overtreding een financiële prikkel uit en kan een betere afstemming op de ernst van de overtreding plaatsvinden. De commissie is van oordeel dat de hoogte per overtreding niet onredelijk is.”
10.3.
In het bestreden besluit is daaraan toegevoegd dat de onderverdeling in dwangsommen van € 5.000,- volgens het college in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.
10.4.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de dwangsommen in dit geval niet zo hoog dat die niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de geschonden belangen en tot de beoogde werking van de dwangsommen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser de overtredingen niet heeft beëindigd. De dwangsommen vormden voor eiser kennelijk juist onvoldoende financiële prikkel om de overtredingen te beëindigen. In de enkele stelling van eiser dat de dwangsommen onevenredig hoog zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel.
10.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verslag hoorzitting
11. Eiser betoogt dat in strijd is gehandeld met artikel 7:7 van de Awb, omdat van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie geen verslag is gemaakt.
11.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:7 van de Awb blijkt dat met een verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. De plicht tot schriftelijke verslaglegging kan op verschillende wijzen worden vormgegeven. Zo kan ook uit de beslissing op bezwaar blijken wat op de hoorzitting is verhandeld. Het verslag hoeft geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. Het verslag kan ook een zakelijke weergave inhouden van wat partijen tijdens de hoorzitting naar voren hebben gebracht.
11.2.
Van de hoorzitting is voorafgaand aan het bestreden besluit geen schriftelijk verslag gemaakt. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is vermeld dat de commissie zich bij het opstellen van het advies mede baseert op het verhandelde tijdens de hoorzitting. In het advies is zakelijk weergegeven wat namens partijen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht. Vervolgens zijn de standpunten van partijen, waaronder die van eiser, puntsgewijs weergegeven. Dit advies is bij het bestreden besluit gevoegd.
11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt aldus uit het bestreden besluit wat er tijdens de hoorzitting is verhandeld, zodat er geen sprake is van strijd met artikel 7:7 van de Awb.
11.4.
Eiser stelt in zijn beroepschrift dat hij door het niet opstellen van het verslag is benadeeld, omdat het college er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit gaat dat hij op de hoorzitting zou hebben gezegd dat het gestorte beton is aangebracht als fundering voor een nog te bouwen berging. Eiser heeft ter zitting bij de rechtbank echter bevestigd dat de fundering was bedoeld voor een carport. Van een feitelijke onjuistheid die het college ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, is daarom niet gebleken. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij door het niet opstellen van een schriftelijk verslag is benadeeld.
11.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
SGR 23/6133 (de invorderingsbeschikking)
12. Eiser verwijst in zijn brief van 31 augustus 2023 over de invorderingsbeschikking naar de beroepsgronden tegen de last onder dwangsom.