Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:10213
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,474 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1310
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,
tezamen met
[eiser 2] , V-nummer: [ V-nummer 2] , eiser,
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Procesverloop
1. Referente heeft namens haar vader, moeder, broer en halfbroer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 oktober 2023 afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag van eisers gebleven. De aanvragen van de moeder en vader van referente zijn wel ingewilligd.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (hierna: referente), de gemachtigde van eisers, S. Magid als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Referente is via China en Hongarije, naar Nederland gereisd en heeft in Nederland een asielverzoek ingediend. Vervolgens heeft referente een aanvraag ingediend voor haar vader, moeder en halfbroer [eiser 1] (gezamenlijke moeder) en broer [eiser 2] om voor een verblijfsvergunning. Bij het primaire besluit is deze aanvraag afgewezen en tegen dit besluit is bezwaar gemaakt. Bij de beslissing op het bezwaar zijn de aanvragen voor de vader en moeder van referente alsnog ingewilligd. De aanvragen van [eiser 1] en [eiser 2] niet, omdat er geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM tussen referente en [eiser 1] en [eiser 2] . Verder heeft verweerder overwogen dat er ook tussen de ouders en [eiser 1] en [eiser 2] geen familieleven bestaat.
Wat vinden eisers?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat de gezinsrelatie is verbroken. Referente is in 2019 noodgedwongen naar China vertrokken en op zichzelf gaan wonen om geld te verdienen voor de behandeling van hun zieke zus. Bij een noodgedwongen vertrek kan verweerder niet tegenwerpen dat de gezinsband door het vertrek is verbroken. Eisers verwijzen daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 27 februari 2020. Verder voeren eisers aan dat hun vader, die inmiddels in Nederland verblijft, terminaal ziek is en dat zij hem graag willen zien voordat hij sterft. Ten aanzien van [eiser 1] voeren eisers aan dat hij medische problemen heeft, niet voor zichzelf kan zorgen en afhankelijk is van zijn moeder. Zij is daarom bij [eiser 1] in Egypte gebleven en heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van haar machtiging tot voorlopig verblijf om Nederland in te reizen. Ten aanzien van [eiser 2] voeren eisers aan dat hij op straat leeft in Saoedi-Arabië en medische klachten heeft. Daarnaast valt [eiser 2] onder het jongvolwassenenbeleid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
[eiser 1]
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag mogen afwijzen. Verder heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er geen familieleven is in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referente en [eiser 1] of tussen de ouders en [eiser 1] . Van bijkomende elementen van afhankelijkheid is volgens verweerder niet gebleken. Bij de aanvraag is ten aanzien van [eiser 1] gesteld dat hij problemen heeft met zijn nieren en zijn ogen, maar alleen ten aanzien van de gestelde schizofrenie zijn medische stukken overgelegd. Verweerder heeft deze medische stukken echter niet betrokken bij de beoordeling nu de legalisatie ervan niet overeenkomt met de intern bekende, ambtelijk verkregen informatie. In beroep is een aantal medische verklaringen overgelegd, zoals een psychologisch assessment rapport van 21 december 2024 van het Ziekenhuis [ziekenhuis] uit Jemen. En een verklaring van het Britse ziekenhuis van 23 februari 2025 met betrekking tot een nekhernia. Ten aanzien hiervan merkt de rechtbank het volgende op.
4.1.
Allereerst stelt de rechtbank voorop dat eisers geen duidelijke verklaring hebben gegeven, waarom de stukken eerst nu in beroep zijn overgelegd. Voorts is niet duidelijk geworden waarom nu wel medische stukken uit Jemen kunnen worden verkregen, terwijl eerder werd gesteld door eisers dat dit niet mogelijk was. Daarnaast roept de inhoud van de stukken ook vragen op. Referente heeft immers zelf aangegeven dat [eiser 1] zou leiden aan autisme, maar uit de medische verklaringen volgt dat hij lijdt aan schizofrenie. Nu niet duidelijk is geworden waar de stukken vandaan komen en waarom ze nu wel kunnen worden overgelegd, is er geen aanleiding om verweerder op te dragen de stukken op echtheid te onderzoeken.
4.2.
Verder is niet onderbouwd dat referente [eiser 1] financieel ondersteunt en uit de overgelegde stukken volgt niet dat [eiser 1] medisch exclusief afhankelijk is van referente of zijn moeder. Weliswaar lijkt er tussen [eiser 1] en zijn moeder een vorm van afhankelijkheid te zijn gelet op het feit dat zij tot op heden bij hem in Egypte gebleven is, maar dit is niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [eiser 1] en referente.
[eiser 2]
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag op goede gronden afgewezen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag mogen leggen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en [eiser 2] of tussen de ouders en [eiser 2] . [eiser 2] is in augustus 2023 naar Saoedi-Arabië gegaan en woont al meer dan een jaar niet meer bij moeder. Voor zover eiser een beroep doet op het jongvolwassenenbeleid, stelt de rechtbank vast dat, anders dan eiser stelt, verweerder bij de beoordeling heeft betrokken dat eiser ten tijde van de aanvraag nog binnen de leeftijdscategorie van jongvolwassenen (18 tot ongeveer 25 jaar) viel. Verweerder heeft na toetsing aan het jongvolwassenenbeleid echter terecht geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM aangenomen, omdat hij niet samenwoont met referente en zijn moeder en verweerder er terecht van uit gaat dat [eiser 2] in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Referente heeft immers geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij of haar ouders [eiser 2] financieel ondersteunen.
[eiser 1] en [eiser 2]
6. Over de gronden die zien op beide eisers oordeelt de rechtbank als volgt. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 27 februari 2020 slaagt niet. Die uitspraak ging namelijk over een mvv in het kader van nareis. In dat kader werd geoordeeld dat het zelfstandig wonen niet zonder meer als contra-indicatie voor de gezinsband kan worden beschouwd door verweerder, indien dit noodgedwongen zou zijn geweest. Voor zover eisers betogen dat ook in het onderhavige geval het feit dat eisers niet meer samenwonen met referente niet als contra-indicatie kan worden tegengeworpen, is de rechtbank van oordeel dat daar geen sprake van is. Verweerder heeft bij de vaststelling dat geen sprake is van samenwoning om te beoordelen of er sprake is van bijkomende elementen, terecht opgemerkt dat het hierbij gaat om een vaststelling van de feitelijke situatie. Dit betreft een andere toets dan de vraag of de gezinsband is verbroken in het kader van een mvv nareis, zoals in de aangehaalde uitspraak.
6.1.
Verder is het invoelbaar en begrijpelijk dat eisers afscheid willen nemen van hun terminaal zieke vader, maar naar het oordeel van de rechtbank is inwilliging van de gevraagde verblijfsvergunning daartoe niet aangewezen. Daarmee wordt namelijk niet alleen afscheid, maar ook verblijf in Nederland mogelijk gemaakt. Verweerder heeft daarom geen hardheidsclausule hoeven toepassen en evenmin is het besluit onevenredig.
Conclusie
7. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder op goede gronden het bezwaar van eisers ongegrond mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2020:2133.
ECLI:NL:RBDHA:2020:2133.
machtiging tot voorlopig verblijf.