Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:1017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,227 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1526
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 14 november 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 28 november 2024.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 17 januari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 28 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 november 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Er loopt namelijk sinds 22 november 2024 een aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp) ten behoeve van eiser bij de Marokkaanse autoriteiten en de minister heeft al tweemaal bij hen gerappelleerd ten aanzien van deze openstaande lp-aanvraag. Ook zijn de identiteit en nationaliteit van eiser al duidelijk. Desondanks staat er nog steeds geen presentatie gepland bij de Marokkaanse autoriteiten en is ook niet duidelijk of deze op de korte termijn gepland zal worden.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Het feit dat er nog geen presentatie staat gepland bij de Marokkaanse autoriteiten, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat helemaal geen zicht meer bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Daarnaast is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten de lp-aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Dat de identiteit en nationaliteit van eiser duidelijk zouden zijn volgt de rechtbank ook niet, aangezien uit het verslag van het vertrekgesprek van 19 november 2024 volgt dat eiser niet beschikt over geldige identiteitsdocumenten waarmee zijn identiteit en nationaliteit kan worden vastgesteld. Niet is gebleken dat eiser hier inmiddels wel over beschikt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20525.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:438.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.