Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:10004
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,757 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/367851-24
Datum uitspraak: 6 maart 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] (Letland),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.Z.D. Nasrullah naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 november 2024 te 's-Gravenhage 36, althans één of meer blikjes drank (Red Bull), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (filiaal Conradkade 67 T), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024373702, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 35).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 maart 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , namens de Albert Heijn, Conradkade 67 T te ’s-Gravenhage, opgemaakt op 18 november 2024 (p. 19).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 18 november 2024 te 's-Gravenhage blikjes Red Bull, die aan Albert Heijn (filiaal Conradkade 67 T), toebehoorden, heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De op te leggen maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht geen vrijheidsbenemende straf op te leggen aan de verdachte. Wat betreft de oplegging van een ISD-maatregel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de proceshouding van de verdachte ten aanzien hiervan. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij wil dat aan hem een ISD-maatregel wordt opgelegd, zodat hij orde op zaken kan stellen en kan gaan werken als hij vrij komt.
6.3.
Beoordeling
Bij het bepalen van de op te leggen maatregel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal bij de Albert Heijn. Dit is niet de eerste keer dat hij een diefstal pleegt. Uit het strafblad van 10 januari 2025 van de verdachte blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstal. Dergelijke strafbare feiten veroorzaken overlast en schade. Winkeliers zoals de Albert Heijn worden geconfronteerd met veel diefstallen, waardoor zij extra kosten moeten maken, die doorberekend moeten worden aan de consument.
Het reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 december 2024 over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel, opgemaakt en ondertekend door drs. [naam 2] .
De reclassering constateert bij de verdachte een patroon van winkeldiefstallen om in zijn bestaan te voorzien. Het plegen van strafbare feiten door de verdachte heeft volgens de reclassering te maken met zijn verslavingsproblemen en zijn gebrek aan huisvesting, inkomen en sociale steun. Zowel het risico op recidive als het risico op onttrekking is hoog. Uit het rapport volgt dat de verdachte telkens veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen in de periodes dat hij in Nederland verbleef. Eerdere pogingen tot een reclasseringstoezicht zijn mislukt omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om de verdachte in een ambulant kader te begeleiden. Mede door zijn langdurige harddrugsverslaving en hardnekkig delictgedrag acht de reclassering de kans groot dat de verdachte alweer gerecidiveerd is voordat de hulpverlening kan worden gestart. Daarbij komt dat de reclassering slechts in zeer beperkte mate begeleiding zou kunnen bieden. Omdat de verdachte nog geen sociale rechten heeft opgebouwd in Nederland dient hij zelf al zijn praktische zaken te regelen, zoals een inkomen en ziektekostenverzekering. Ook zou hij zelf moeten zorgen voor huisvesting alvorens hij ambulant behandeld kan worden. Onder meer vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden adviseert de reclassering om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Volgens de inschatting van de reclassering zal de verdachte de voor hem noodzakelijke hulp en behandeling krijgen in de ISD voor vreemdelingen in het strafrecht (ISD-VRIS). Binnen de ISD-VRIS inrichting kan de verdachte deelnemen aan interventies gericht op het aanleren van vaardigheden om zich in het land van herkomst beter staande te kunnen houden. Daarnaast biedt de ISD-VRIS afdeling hulp en behandeling op het gebied van verslaving en psychische problematiek.
Voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel
Het feit waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt, is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt tevens onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en/of schade veroorzaakt, eist de veiligheid van goederen het opleggen van de ISD-maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank kan alleen een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de kans op recidive verkleinen. Bovendien kan de maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de door de reclassering geschetste problematiek van de verdachte op praktisch alle leefgebieden. Om daarvoor voldoende tijd te geven zal de rechtbank de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en zal de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging daarvan in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. J. Keuter en R. Claessens, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2025.