Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:989
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
836 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 7 juni 2022 niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was.
Eiser heeft op 4 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het volgens hem niet niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Eiser is op 20 maart 2023 opgenomen in de nationale procedure. Hij heeft op 25 maart 2023 een nieuwe asielaanvraag ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 9 januari 2023 al een besluit heeft genomen op eisers asielaanvraag van 7 juni 2022. Dit besluit is onherroepelijk. Nu al beslist is op de aanvraag van 7 juni 2022, heeft eiser geen procesbelang bij het beroep, aangezien er geen sprake is van niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
2. Voor zover eiser stelt dat verweerder bestuurlijke dwangsommen aan hem is verschuldigd, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat een beslistermijn is overschreden. De Tijdelijke wet sluit bovendien uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser(es) geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht. Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr.R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:3352.