Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:9884
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24772
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 mei 2024 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiseres heeft hierop gereageerd.
Op 18 juni 2024 is de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiseres is overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 20 juni 2024.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Eritrese nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 5 juni 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 5 juni 2024.
4. Eiseres voert aan dat het vertrekgesprek van 13 juni 2024 met behulp van een gerechtstolk in de Amhaarse taal had moeten plaatsvinden en niet, zoals is gebeurd, in de Engelse taal met de regievoerder zonder de hulp van een tolk. Eiseres verstaat en spreekt de Engelse taal niet goed. Ook klaagt zij over de slechte vertaling door de regievoerder. Doordat geen gebruik is gemaakt van een tolk Amhaars is sprake van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM en het zorgvuldigheidsbeginsel.
5. Eiseres wordt hierin niet gevolgd. Verweerder is gehouden de vertrekgesprekken te voeren in een taal die eiser machtig is, dit hoeft niet per definitie de moedertaal te zijn. Vastgesteld wordt dat in het verslag van het vertrekgesprek van 13 juni 2024 staat dat het gesprek zonder tussenkomst van een tolk in de Engelse taal plaatsvond en dat eiseres deze taal in voldoende mate spreekt en begrijpt om het gesprek te kunnen voeren. Ook is opgemerkt dat eiseres eerder zonder problemen in deze taal is gesproken. Uit het verslag blijkt verder dat eiseres antwoorden heeft gegeven op de aan haar gestelde vragen door de regievoerder en dat zij ook zelf vragen heeft gesteld aan de regievoerder. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres de Engelse taal onvoldoende machtig is of dat de regievoerder de vragen en antwoorden slecht heeft vertaald. Eiseres heeft ook niet geconcretiseerd wat zij niet heeft begrepen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder een tolk had moeten inschakelen voor het vertrekgesprek van 13 juni 2024. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2024.
6. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:9462.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2024:94.