Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:9882
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,529 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23529
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 8 juni 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 11 juni 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 juni 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond 3k. Volgens eiser is hij door een misverstand niet verschenen voor zijn overdracht naar Spanje. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 6 juni 2024. Eiser is op 7 mei 2024 op het AZC geweest en ging er vanuit dat hij opgehaald zou worden. Hij was echter vergeten dat hij zich op 6 mei 2024 al moest melden voor zijn overdracht. Eiser heeft zich niet aan het toezicht onttrokken nu hij is staandeghouden op het AZC.
4. Wat eiser aanvoert, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de zware grond 3a. Nu deze grond zich feitelijk heeft voortgedaan, kon deze grond aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de overige gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht. De zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Voorts stelt eiser in zijn bericht van 14 juni 2024 dat hem geen opvang in Spanje is verleend en hem ook geen mogelijkheid is geboden om asiel aan te vragen.
6. De rechtbank stelt vast dat deze gronden zijn gericht tegen het overdrachtsbesluit dat al eerder is getoetst door deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch. In de onderhavige procedure wordt slechts beoordeeld of de maatregel van bewaring rechtmatig is. Om die reden treffen deze gronden geen doel.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag
zijn gelegd en het significante risico op onttrekking dat daaruit voortvloeit heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Verweerder heeft al eerder een lichter middel toegepast door het opleggen van de meldplicht. Een lichter middel had dus niet geleid tot het beoogde eindresultaat, een overdracht aan de Spaanse autoriteiten. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om aan eiser wederom een meldplicht op te leggen. Tot slot is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
ECLI:NL:RBOBR:2024:1530.
Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.