Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:9863
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,423 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23279
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 7 juni 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 juni 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 juni 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1992.
Voortraject
2. Eiser voert aan dat er sprake is van een gebrek in het voortraject, nu de genoemde functienaam van de BOA’s die de staandehouding hebben verricht niet worden genoemd in artikel 2 van het BboDVO. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 25 april 2022.
3. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit het proces-verbaal van de staandehouding van 28 mei 2024 blijkt dat de staandehouding is verricht door [naam 1] en [naam 2] , ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, beveiligers transport van de Dienst Vervoer en Ondersteuning. Uit artikel 2 aanhef en onder c, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer & Ondersteuning 2024, geldig vanaf 12 februari 2024, volgt dat een beveiliger transport een buitengewoon opsporingsambtenaar is. Gelet hierop is eiser door een daartoe bevoegd ambtenaar staandegehouden. Het gebrek dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling is vastgesteld, namelijk het vermelden van een inmiddels afgeschafte functiebenaming, doet zicht hier niet voor. De beroepsgrond slaagt niet.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer & Ondersteuning 2022.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1195.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.