Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:9817
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,250 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.23247
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2024 heeft de staatssecretaris aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het inreisverbod beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. Onwuegbuchu. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
2. Eiser stelt dat de staatssecretaris het inreisverbod onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de staatssecretaris in de motivering van het inreisverbod niet is ingegaan op de kinderen die eiser in Nederland heeft.
3. De staatssecretaris erkent dit gebrek en geeft ter zitting een nadere motivering. De staatssecretaris is van mening dat eiser zijn gestelde gezinsleven niet heeft onderbouwd en dat onduidelijk is of hij van alle kinderen de biologische vader is. Daar komt bij dat de gestelde partner van eiser heeft verklaard dat zij geen contact met eiser wil, dat eiser geen zorg draagt voor de kinderen en dat hij een zwervend bestaan leidt. Volgens de staatssecretaris komt daar nog bij dat eiser geen aanvraag heeft gedaan om in Nederland legaal bij zijn gestelde partner te mogen verblijven. De staatssecretaris verzoekt de rechtbank om de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand te laten.
4. De rechtbank is van oordeel dat het inreisverbod inderdaad onvoldoende gemotiveerd is, daar waar het gaat om het belang van eiser om bij zijn kinderen in Nederland te kunnen zijn. In zoverre ligt het inreisverbod voor vernietiging gereed. De ter zitting gegeven motivering volstaat niet om de rechtsgevolgen van het te vernietigen inreisverbod in stand te laten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het proces-verbaal van aanhouding van eiser van 14 mei 2024 blijk geeft van (deels) andere informatie dan waarop de staatsecretaris zich ter zitting baseert. Zo blijkt uit dit proces-verbaal dat de partner van eiser tegen de politie heeft verklaard dat zij met eiser in Afrika getrouwd is en dat hij de vader is van haar drie kinderen. Ook blijkt hieruit dat eiser in de woning van zijn partner is aangetroffen en dat hij heeft verklaard dat hij met haar op dat adres samenwoont. Eén en ander zet de argumenten van de nadere motivering van de staatsecretaris in een ander daglicht. Dat maakt dat de nadere motivering nog steeds niet draagkrachtig is voor het standpunt dat eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar dient te worden opgelegd.
Conclusie
5. Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond en de rechtbank vernietigt bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen inreisverbod in stand te laten.
6. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,
7. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.